Als het gaat om de energietransitie is er voor het middenbestuur de komende jaren genoeg te doen. Naast de ruimtelijke opgave – waar komt wat – , de rekening – wie betaalt wat – is er nog de kwestie van het draagvlak of beter gezegd het gebrek daaraan.


Het zijn stuk voor stuk interessante en boeiende vragen die tijdens de derde CLB-bijeenkomst middenbestuur de revue passeerden. Toch werd ik gegrepen door de bijdrage van SER-voorzitter Mariëtte Hamer. Zij betoogde dat de energietransitie juist kansen biedt voor mensen die door de coronacrisis aan de kant komen te staan.

Dat de energietransitie veel nieuwe banen op kan leveren, constateerde de SER al in het in 2018 verschenen advies Energietransitie en werkgelegenheid, Kansen voor een duurzame toekomst. Destijds kon men natuurlijk niet bevroeden dat corona alles in de war zou schoppen. De grote klap moet nog komen en de gevolgen worden pas zichtbaar op het moment dat de steunmaatregelen worden beëindigd. Daarom is het, zegt Hamer, nu alle hens aan dek voor de werkgelegenheid en moeten we hebben over de kansen die de energietransitie biedt.

De energiesector groeit als kool en kent nu al een tekort van tienduizenden arbeidsplaatsen. Voor veel van deze vacatures is geen jarenlange opleiding werk nodig. Het gaat dan om werk, zoals het grondwerk (graven van sleuven), het plaatsen van zonnepanelen of het opbouwen van windmolens. En wat te denken van de eerste generatie zonnepanelen die nu in grote getale vervangen en gerecycled moeten worden?

Flexwerkers de klos

Er ligt de komende tijd dus meer dan genoeg werk. Tegelijkertijd zijn het de jongeren die hoogstwaarschijnlijk de rekening van corona zullen gaan betalen, denkt Hamer. Ga maar na: zij hoppen van flex- naar flexbaan en als de rook optrekt is het zeer de vraag hoeveel van dat flexwerk nog over is. Dat maakt het ontwikkelen van nieuwe werkgelegenheid extra urgent.

Door klaar te staan met werk naar werk trajecten kunnen we deze groep weer zo snel mogelijk laten instromen. De energietransitie kan hier veel in betekenen. Flevoland en Noord-Holland hebben de impact van investeringen in energietransitie en duurzaamheid op de arbeidsmarkt in beide provincies laten onderzoeken. En wat blijkt: ‘De investeringen in energietransitie en duurzaamheid leveren een bijdrage aan het behoud of creatie van nieuwe werkgelegenheid. Zo is in Noord-Holland met de uitvoering van deze investeringsagenda jaarlijks tot maximaal 16.000 fte gemoeid.’

Daarvan is maar liefst 4.000 fte werk dat door mensen zonder werk wordt ingevuld. In Noord-Holland alleen al. De vraag naar werknemers voor de energietransitie en duurzaamheid in mijn eigen provincie Flevoland loopt jaarlijks op naar maximaal 1.800 fte, waarvan naar schatting 600 fte aan extra banen.

De banen komen er dus aan. Deze goed in te vullen is misschien nog wel de grootste klus. In de techniek is immers nu al een groot tekort aan arbeidskrachten. We zullen met elkaar regionaal afspraken moeten maken om de mensen, die door corona zonder werk zitten of hun baan dreigen kwijt te raken, succesvol aan deze nieuwe banen te koppelen.

Middenbestuur aan zet

Dat lukt alleen als we het echt samen doen. Concreet betekent dat volgens Hamer: het verbinden van energieregio’s met arbeidsmarktregio’s, en het oprichten van regionale mobiliteitscentra waar mensen worden begeleid van werk naar werk. Om dat voor elkaar te boksen is het middenbestuur onontbeerlijk.

Met het creëren van allemaal verschillende regio’s – de arbeids zijn weer andere regio’s dan die van RES’en – en een behoorlijke hoeveelheid opleidingsinstituten met allemaal verschillende werkgebieden hebben we de wereld er niet eenvoudiger op gemaakt. Juist nu is het aan het middenbestuur om met afspraken met opleiders en werkgevers in de regio haar verbindende kracht te tonen. Door samen met het ROC het initiatief te nemen voor een opleiding zonnepanelen monteur bijvoorbeeld. Of om doormiddel van jobcarving en jobcrafting te kijken welke nieuwe functies er zijn en hoe we daar meer mensen kunnen laten instromen.

Daarom moeten we nu zo snel mogelijk in kaart brengen wat de provinciale en regionale opgave is voor de energietransitie en klimaatagenda en wat dit betekent voor de arbeidsmarkt. Aan welk type baan is de komende tien, vijftien jaar behoefte? En hoe zorgen we ervoor dat die arbeidsplekken op een goede manier worden ingevuld?

We moeten er nu voor zorgen, dat het regionale opleidingsaanbod en de herscholingsprogramma’s worden afgestemd op de economische kansen die de energietransitie biedt. Op die manier kunnen we de coronaherstelagenda echt van de grond krijgen en bieden we een heel mooi wenkend perspectief: de energietransitie is geen lastig probleem zonder draagvlak, maar een prachtige kans op waardevol en heel duurzaam werk voor iedereen.