De jeugdzorg is een van de belangrijkste onderwerpen waar de gemeente over gaat. De centrale vraag is: hoe zorgen we ervoor dat ieder kind de zorg en ondersteuning krijgt om veilig op te kunnen groeien? Helaas gaat het gesprek meestal over andere dingen: over het tekort aan geld en over het systeem. Op zich begrijpelijk, want op beide terreinen valt wel wat te verbeteren.


Alleen kan dat niet ten koste gaan van het gesprek over de kwaliteit: over het idee van een kind, een plan, een aanpak en een budget. Met de onderstaande punten willen we de aandacht weer verleggen naar wat wel kan, dat het ook mooi is om in de jeugdzorg te werken en hoe je daar op een goede manier politieke sturing aan kunt geven. Of je nu in de coalitie zit of in de oppositie. Politieke sturing, zodat de jeugdzorg er altijd is voor kinderen die het het hardste nodig hebben.

Een op de twaalf kinderen tot 18 jaar krijgt op een manier jeugdhulp. Dat is veel. Sinds de decentralisatie in 2015 is dit aantal bovendien aan het stijgen. Aan de ene kant is dat goed: we hebben kinderen eerder op het netvlies als het thuis even niet lekker gaat. Maar aan de andere kant is er ook een toename van hulpvragen, die eerder te maken hebben met een antwoord op de vraag ‘wat is normaal’ dan met andere zaken.

Normaliseren en demedicaliseren in de jeugdzorg is daarom een even grote uitdaging als dat we er altijd zijn voor de meest kwetsbare kinderen en hun gezinnen. Juist door de toename van het beroep op de jeugdzorg komt de kwetsbare groep in de knel. Daar moeten we wat mee. En daar kunnen we wat mee. Te vaak nog staan ouders langs de kant in plaats van dat ze de regie over een gezinsplan hebben.

Beperk je niet tot een domein, maar stuur over de domeinen heen. De reden voor een hulpvraag kan een andere achtergrond hebben, bijvoorbeeld schulden of huisvesting. Als de oorzaken niet worden aangepakt, kan jeugdzorg weleens heel lang gaan duren. Houd je bij bouwplannen rekening met begeleid wonen? Met betaalbare huisvesting voor jongeren? Maar ook: zijn er afspraken met sportverenigingen over omgangsvormen? En hoe zijn de lijnen met de jeugdhulp?

Jeugdzorg en onderwijs

De PvdA staat voor goed onderwijs en voor kansengelijkheid. Juist door meer samenwerking tussen jeugdzorg en onderwijs kun je kinderen uit kansarme gezinnen beter helpen om hun weg te vinden naar de juiste ondersteuning. Een wethouder ‘onderwijs en jeugdzorg’ helpt daarbij.

  • Zorg voor een goede samenwerking tussen jeugdzorg en onderwijs. Het onderwijs is dé vindplaats. Jeugdhulp (bijvoorbeeld schoolmaatschappelijk werk) op school zorgt voor laagdrempeligheid.

  • Durf te investeren in het onderwijs, bijvoorbeeld met subsidies voor speciale onderwijsassistenten. Dit kan uiteindelijk leiden tot minder vraag naar jeugdhulp en dit voorkomt vooral dat er meerdere ambulante hulpverleners op verschillende momenten in de school komen (op basis van een beschikking).

  • Durf te werken met beschikkingsvrije jeugdhulp op school. Dit verstevigt de samenwerking met het onderwijs, en zorgt ervoor dat kinderen en hun ouders op een laagdrempelige manier geholpen kunnen worden. Vaak worden hier de kinderen en ouders bereikt, die de weg niet weten in het sociale domein, of de route naar de huisarts daarvoor niet kennen. Maak dit prioriteit, zodat het budget bij de kinderen en jongeren komt, die anders buiten beeld zouden blijven, en het meest vatbaar zijn voor thuiszitten, uitkering en/of criminaliteit.

  • De inzet van collectieve jeugdhulp op scholen vraagt om ruimte in het inkoopproces en dus geen aanbesteding op PXQ (prijs x kwaliteit), maar wel een goede afbakening tussen wat de verantwoordelijkheid van scholen en wat zorg is.

  • Investeer als gemeente ook in een sterke sociale basis: onderwijs, sport, cultuur, jongerenwerk, rijke schooldagen, aanpak armoede en schulden.

Sturen op vraag

De belofte van marktwerking in de zorg – hogere kwaliteit tegen een lagere prijs – is niet waargemaakt. Op het gebied van de jeugdhulp is er een ware explosie geweest in het aantal aanbieders met als positief effect veel keuze en als negatief effect het fenomeen dat aanbod ook zijn eigen vraag creëert.

Weet hoe het met de jeugd in je eigen gemeente gaat, zodat je kunt bepalen wat er nog nodig is om veilig op te groeien: met voldoende ontwikkelings- en ontplooiingskansen, sociale, culturele en sportieve uitdagingen.

  • Investeer in de toegang. De beste mensen aan de voorkant zorgen voor de juiste hulp op de juiste plek. Laat de mensen in de toegang ook weer zelf de hulp en ondersteuning uitvoeren.

  • Bouw een netwerk met de huisartsen om afspraken te maken over enkelvoudige doorverwijzingen. Maak met hen afspraken over hoe je wil werken aan de kwaliteit van zorg en over dat de ernstigste noden de hoogste prioriteit krijgen.

  • Help huisartsen met voldoende praktijkondersteuners, die de ‘lichte zorgvragen’ zelf behandelen. Hiermee voorkom je het idee van ‘de snelle doorverwijzing als de beste oplossing’. Zorg voor praktijkondersteuners jeugd, die het voorveld (sport, cultuur, jongerenwerk) goed kennen en samenwerken met de wijkteams of andere vormen van toegang van de gemeente.

  • Maak afspraken met het regionale samenwerkingsverband om dubbelingen in de (vaak enkelvoudige) doorverwijzingen te voorkomen. Kijk of de criteria voor enkelvoudige jeugdhulp in de toegang van de gemeente en die van de onderwijsconsulenten in het samenwerkingsverband te combineren zijn.

Inkoop en verantwoording

Inkopen is geen eenvoudig proces. Zeker voor raadsleden is het moeilijk om hier zicht, laat staan grip op te krijgen. Daar komt bij dat veel gemeenten vaak werken met een inkoopbeleid voor alle in te kopen diensten. Daarmee doe je de inwoners tekort: inkopen voor het sociaal domein is ingewikkelder en vraagt om andere criteria, maar ook om een andere werkwijze.

Te vaak kiezen gemeenten nu nog partijen op basis van de laagste prijs. Dit gaat ten koste van kennis, ervaring en expertise die nodig zijn om de beste zorg te leveren. Bij de inkoop wordt er nog te weinig gebruik gemaakt van de kennis van andere partijen.

Wees je bewust van het fenomeen, dat aanbod ook vraag schept. Zelfstandige psychologen, coaches, de vrij gecontracteerde zorgverleners zijn voor hun inkomen afhankelijk van de zorgvraag van kinderen. Een van de oorzaken voor de groei van jeugdzorg zijn de langere trajecten per kind en het onvoldoende overschakelen naar lichtere hulp of naar het voorveld van sport, jeugdwerk en wijkvoorzieningen.

  • Investeer in meerjarige afspraken met (een beperkt aantal) aanbieders, zodat je partnerschap kunt ontwikkelen. Maak daarbij afspraken over de ontwikkelingen in de in-, door- en uitstroom. Doe dit ook samen met de organisaties die verantwoordelijkheid dragen voor de continuïteit van de jeugdzorg.

  • Wees helder om welke budgetten het gaat en maak ook de contractpartners deelgenoot van de afwegingen.

  • Leg in je inkoopvoorwaarden vast dat medewerkers in de jeugdzorg slechts een beperkt deel van hun kostbare tijd hoeven te besteden aan administratie, verantwoording afleggen en/of aanbestedingseisen.

  • Zorg dat het onderwijs betrokken wordt bij de aanbesteding van de jeugdhulp en jeugdzorg.

  • Zoek contact met de coördinerende contractant onder de zorgverzekeraars, om samen te kunnen investeren in (potentieel) succesvolle preventieprojecten en (het stimuleren van) kwaliteit van zorg.

  • Kwaliteit van zorg vraagt goede eisen aan de voorkant én sturing en toezicht gedurende de inzet van de hulp. Daar is nu vaak weinig zicht op. Echte regie en het volgen van kind/gezin is daarvoor een voorwaarde.

  • Coördineer je kwaliteitseisen aan de jeugdzorg met omringende gemeenten en vraag niet meer dan noodzakelijk is om een beeld te krijgen van prestaties. Kies voor gezamenlijke monitoring van de kwaliteit van de zorg in onderwijs en jeugdhulp. Deze samenwerking levert een betere kwaliteit en meer regie van gemeenten en het samenwerkingsverband op.

  • Zorg voor een goede data-analyse. Er zijn heel veel cijfers beschikbaar. Maak deze ook onderwerp van gesprek met zorgaanbieders, onderwijs en huisartsen.

  • Vergeet de jongeren- en ouderadviesraden niet.

Specialistische jeugdzorg

Er zijn meer dan 46.000 kinderen uit huis geplaatst. Zij wonen (tijdelijk) in jeugdzorginstellingen, gezinshuizen of bij pleeggezinnen. Per jaar gaat het om ongeveer 19.000 kinderen. Sinds de decentralisatie in 2015 is dit aantal met 14% gestegen. En nog lopen de wachttijden op. Deze instellingen voor gespecialiseerde jeugdzorg staan onder (financiële) druk.

  • De grote winst van de decentralisatie is wel de verbetering in de samenwerking tussen regio en aanbieders van gespecialiseerde jeugdzorg. De opdracht is deze te behouden en verder uit te bouwen.

  • Vereenvoudig de keten van de gedwongen jeugdhulp en maak samen met de gecertificeerde aanbieders van de specialistische vormen van jeugdhulp echt werk van ‘zo thuis mogelijke’ jeugdhulp.

  • Als je 18 wordt: de overgang van 18- naar 18+  is problematisch. Zorg voor huisvesting met lichte begeleiding voor jongeren uit de jeugdzorg. Jongeren met jeugdzorg zijn nu oververtegenwoordigd in de maatschappelijke opvang (daklozenopvang).

Tot slot

Er is door te weinig instroom en teveel uitstroom een personeelstekort in de jeugdzorg. Veel tijd van de professionals gaat zitten in het formulieren invullen, tijdsregistratie of andere vormen van verantwoording, die niet bijdragen aan de kwaliteit van zorg. Het moeten voldoen aan eisen van geïnstitutionaliseerd wantrouwen werkt zeer demotiverend voor professionals die vanuit hun hart willen helpen. Alle negatieve berichten over de jeugdzorg helpen ook niet en zijn niet het volledige verhaal. Aan 400.000 kinderen wordt goede zorg verleend. Vertel dat verhaal ook. Daar mogen alle professionals trots op zijn.

De PvdA is tegen een eigen bijdrage voor jeugdzorg. Dat ontslaat ons echter niet van het nadenken over de vraag hoe we voorkomen dat jeugdhulp vooral gaat naar ouders, die het beste de weg naar de hulp weten te vinden en die dat het beste zelf zouden kunnen betalen. Onze uitdaging en opdracht is het daarom om kwalitatief goede jeugdzorg voor de meest kwetsbare kinderen en hun gezinnen te organiseren.

En laten we nooit vergeten dat we sinds 1989 het VN-verdrag ‘rechten van het kind’ hebben. Aan ons de opdracht die rechten te allen tijde te respecteren.


Met dank aan de bijdragen van: Sascha Baggerman, Marleen Barth, Marleen Damen, Hans Spigt en Nicole Teeuwen.


Afbeelding: Willem Hoogteyling | ANP