Zoeken

Publicaties

Veel werk aan de winkel door Polen

Er komen steeds meer arbeidsimmigranten uit Polen en andere Oost-Europese landen naar ons land. Velen van hen keren niet meer terug. Dat heeft grote gevolgen, met name voor de steden. Hoe zorgen we voor adequate huisvesting van deze mensen, hoe kan uitbuiting worden tegengegaan en hoe voorkomen we dat ze in de wijken worden gezien als ongewenste nieuwkomers? Daarover wordt op dit moment een discussie gevoerd in de PvdA. Dit artikel geeft een samenvatting van de belangrijkste problemen en hoe we daarmee kunnen omgaan.

Het is al een tijdje de normaalste zaak van de wereld. Als de keuken of de badkamer verbouwd moet worden, dan schakel je even een Pool in. Er zijn altijd wel buren, familie of kennissen die nog wel een goede en vooral goedkope Poolse klusser weten. Zelfs als je een aannemersbedrijf inschakelt, krijg je vaak alsnog een Pool thuis. Ook voor die bedrijven zijn Polen immers goedkoop.
Lange tijd leek niemand zich aan de komst van de Polen te storen. Ze kwamen immers maar tijdelijk en gingen na wat klussen terug naar Polen. Echte immigranten waren het niet. De geschiedenis lijkt zich echter te herhalen: steeds vaker blijven Polen, net als eerder bijvoorbeeld Turken en Marokkanen, in Nederland ‘hangen’. Een deel van hen keert nog steeds om paar maanden of soms zelfs elke week even terug naar het moederland, maar er is ook een steeds groter deel dat zich permanent in Nederland wil vestigen of dat al heeft gedaan. Taal- , cultuur- en andere problemen kunnen dan een rol gaan spelen. De verhalen en vooroordelen over de stereotype Pool die met zijn derdehands auto dronken over de weg manoeuvreert kent iedereen. Maar dat valt nog relatief mee in de publieke opinie. ‘Last’ hebben de meeste mensen niet van de Polen.
Inmiddels komen er ook steeds meer Roemenen en Bulgaren naar Nederland. Dat levert nu al iets meer spanning op dan de Poolse arbeiders, die qua cultuur minder ver van Nederland afstaan dan hun zuidelijker gelegen buren. Ook zijn die groepen minder goed te volgen: veel Polen worden door uitzendbureaus opgehaald, Roemenen en Bulgaren komen meer op eigen gelegenheid. De toestroom vanuit deze landen zal alleen maar verder toenemen. In december vorig jaar liet de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) weten dat de toestroom van arbeidsmigranten uit Polen en andere Oost-Europese landen de komende jaren gaat verdubbelen. In 2015 komen er volgens de bond 180.000 tijdelijke arbeidskrachten naar Nederland. Nu zijn dat er nog ongeveer 100.000 per jaar.

Alarm
Met al deze wetenschap in het achterhoofd hebben diverse PvdA-bestuurders en volksvertegenwoordigers de afgelopen tijd alarm proberen te slaan. De bestuurders zien de komst van de arbeidsmigranten enerzijds als een zegening om de grote tekorten aan personeel in onder andere de bouwsector en de tuinbouw op te vangen. Anderzijds zien ze ook in dat een dergelijk grote toestroom simpelweg grote gevolgen heeft, op tal van gebieden. Om die reden wordt nu in samenwerking met de PvdA-Tweede Kamerfractie door de lokale politici gewerkt aan een breed gedragen visie op de problematiek. Daarbij staat een aantal thema’s centraal.

Huisvesting

Ten eerste de huisvestingsproblematiek. Die wordt met name in de grote steden als acuut beschouwd. In Den Haag alleen al arriveerden vorig jaar 4.000 nieuwe Polen, Bulgaren en Roemenen. De totale mutatie aan verhuizingen in Den Haag is 7.000. Als de stad al deze arbeidsmigranten een sociale woning aan zou willen bieden, dan zou de wachtrij voor een dergelijke woning voor andere inwoners van pakweg drie naar acht jaar gaan. Dat kan dus niet. 2500 extra woningen bouwen om in de vraag te voorzien is ook niet haalbaar. Alleen al daarom is het een lastig probleem, niet alleen in Den Haag, maar ook in andere steden. In Vlaardingen werden veel sloopwoningen ingezet voor tijdelijke bewoning, maar ook daar is de maximale capaciteit zo langzamerhand bereikt. Er moeten dus andere oplossingen komen.
Bij huisvesting spelen in het landelijke gebied andere problemen dan in de steden. Plattelandsgemeenten regelen vaak zaken in bestemmingsplannen. Er zijn relatief minder problemen met huisvesting dan in de steden, waar ’s nachts soms letterlijk met matrassen wordt gesleept als illegale bewoning dreigt te worden aangepakt. Mensen komen daarbij soms letterlijk op straat te staan en dat staat politiek gezien nog onvoldoende op de agenda. Wethouders zouden bijvoorbeeld kunnen bijhouden en registreren wie er in de nachtopvang komen en dat problematiseren.
Ook in Rotterdam is de enorme toestroom een probleem. Veel van de migranten vestigen zich in specifieke gebieden in de stad, waardoor daar in korte tijd grote veranderingen voor de reeds daar wonende mensen voelbaar zijn. Het gaat vaak om die plaatsen waar de goedkoopste woningen te vinden zijn. Alles draait uiteindelijk om geld: veel van de migranten die in een van de grotere steden wonen, werken zelf juist buiten de stad. Maar daar is de huisvesting vaak te duur voor hen. Wat in ieder geval geen oplossing lijkt, is het huisvesten van arbeidsmigranten op bedrijventerreinen, zoals in een aantal landelijke gemeenten gebeurt. Het isoleren en concentreren van een groep mensen komt inburgering of integratie niet ten goede.

Uitbuiting
Een tweede probleem is dat veel arbeidsmigranten veel te weinig geld verdienen. Mede daardoor zijn ze vaak overgeleverd aan uitbuiting. Via vage ZZP-constructies en andere administratieve trucs komt het voor dat veel mensen minder dan het minimumloon verdienen. Veel van de migranten worden uitgebuit door huisjesmelkers, hun werkgever of door allebei. Eén van de vragen die daarom beantwoord moet worden is: kiest Nederland in haar beleid voor de economie, of moeten mensen voorop staan? Het lijkt duidelijk dat de PvdA voor die laatste optie kiest en de rechten van de arbeidsmigranten verdedigt.
Tegelijkertijd zijn er ook zaken die als plicht moeten of kunnen worden gezien. Het leren van de Nederlandse taal is er daar een van, ook al schrijven Europese regels dat in feite niet voor. Die spreken slechts over vrij vervoer van personen, goederen en diensten. Het gebeurt maar al te vaak dat instanties of politici zich verschuilen achter die Europese regelgeving. Daarbij verdwijnt het menselijke aspect waar men in de praktijk mee te maken krijgt soms uit het oog.
Dat geldt ook voor de lokale bevolking. Die wordt geconfronteerd met nieuwe buren die de taal niet spreken en zich soms op een andere wijze gedragen dan men gewend is. Andere gebruiken, andere gewoontes. Daar komt dan nog eens bij dat veel van de tijdelijke arbeidsmigranten slechts enkele weken of maanden op één plek blijven en daarna weer verder trekken of terug gaan. Dat betekent voor de lokale bewoners dat ze telkens met nieuwe gezichten worden geconfronteerd. Vervreemding gaat dan erg hard. ‘Het gaat ons te snel en het zijn er teveel,’ zijn dan veelgehoorde opmerkingen.
Uitbuiting van mensen en overbewoning van panden worden op papier wel bestreden. Er is certificering voor arbeidsbureaus, maar die blijkt in de praktijk een wassen neus te zijn. Al jaren worden er afspraken gemaakt, maar er is geen controle en een hele grote groep bureaus doet überhaupt niet mee met die afspraken. Interventie van de Rijksoverheid om koppelbazen aan te pakken lijkt onontbeerlijk.

Opvang
Weer een ander probleem doet zich voor bij de groep arbeidsmigranten die werkeloos raakt. In 2007 meldden zich nog ongeveer 60 Polen bij het Leger des Heils in Den Haag, nu zijn dat er 600, een vertienvoudiging. De capaciteit van het Leger is niet toegenomen. De dag- en nachtopvang die bedoeld was voor verslaafden heeft hierdoor noodgedwongen een andere rol gekregen. De voertaal is er Pools. Gemeenten hebben dit probleem twee jaar lang ontkend, minister Donner ook, maar inmiddels worden er wel stappen gezet om dit probleem te tackelen. Ook dat blijkt weer lastig te zijn: als de opvang beperkt wordt, veroorzaakt dit weer overlast op straat. Dat heeft dan weer nadelige effecten voor de mensen zelf en voor de buurten. Donner is gevraagd adequate huisvesting te regelen, ook wordt gepoogd vrijwillige terugkeer te stimuleren. Bilaterale verdragen hierover met Oost-Europese landen zijn relatief eenvoudig te regelen.
Al met al lijkt de problematiek vooral een botsing te zijn van de macrowereld die spreekt over open grenzen en de microwereld van wijken en buurten. Aan de belangen die bij beide werelden spelen moet aandacht worden geschonken, altijd met het menselijke aspect voorop. Het is belangrijk dat de PvdA hierbij één geluid laat horen. Inburgering moet worden geadresseerd, net als sociale zekerheid. Zo moet worden gecontroleerd op CAO-lonen, schijnconstructies moeten worden aangepakt, bijvoorbeeld door ZZP'ers jaarlijks aan te laten tonen dat ze aan de eisen voldoen.

Helder communiceren

De arbeidsmigratieproblematiek levert tal van vragen op: welke zaken moeten verplicht in CAO’s worden opgenomen? Wie is verantwoordelijk voor het aanpakken van de huisvestingsproblematiek? Wat is er juridisch gezien überhaupt mogelijk, met het oog op Europese regelgeving? Wat kan er op nationaal niveau worden geregeld, wat moet Europa oplossen? Moeten er campagnes komen die gericht zijn op de arbeidsmigranten, en zo ja: waarover? Wat kunnen corporaties doen? Is het mogelijk om werkgevers korting of subsidie te geven? Is dat wenselijk? Kloppen de cijfers over de toename en op welke termijn is dat écht een groot probleem? Hoe om te gaan met inburgering? Hoe kan de controle op uitzendbureaus verbeterd worden in tijden van bezuiniging?
Wat voorop staat, is dat er helder gecommuniceerd zal moeten worden over arbeidsmigratie. Dat begint bij de vaststelling dat het duidelijk is dat een deel van de arbeiders blijft en een deel tijdelijk in Nederland is. Dat moet van het begin af aan onderkend worden. Daarnaast is het van belang om naast - of achter- de mensen in de buurten te gaan staan. Laat zien dat je compassie hebt voor de buurten. Tegelijkertijd moeten misstanden en uitbuiting keihard worden bestreden. Mensen staan dus voorop.

Uit publicatie
Lokaal Bestuur, Jaargang 35 nr. 3
Maart 2011

Auteur
Kirsten Verdel