Hebben we straks nog een wijkagent?
De nationale politie komt eraan! Veel lokale bestuurders van de PvdA maken zich daar grote zorgen over. Zal de aandacht straks vooral uitgaan naar de grote criminaliteit en wordt het lokale veiligheidsbeleid een sluitpost? Lokaal Bestuur sprak hierover met Attje Kuiken, die in de Tweede Kamer voor de PvdA de politie ‘doet’, en met Nol Kleijngeld, burgemeester van de regiogemeente Waalwijk.
Op 1 januari 2012 moet het zover zijn: in plaats van de 26 politiekorpsen één nationale politie, die direct onder de verantwoordelijkheid valt van de minister van Veiligheid en Justitie. Er is dan ook nog maar één landelijke korpschef, die samen met de minister de politieorganisatie aanstuurt. Op die wijze zou de politie meer als eenheid kunnen functioneren, met als gevolg: minder bureaucratie en een grotere slagvaardigheid. Op lokaal niveau verandert het gezag over de politie niet. De burgemeester en de officier van justitie spreken af wat de lokale inzet van de politie is, dit wordt vastgelegd in een veiligheidsplan en op grond hiervan stuurt de burgemeester de politie aan.
Tegenstrijdig
Klinkt goed, maar hoe gaat dat in de praktijk? Wordt het lokale veiligheidsbeleid geen sluitpost als de prioriteiten straks landelijk worden bepaald? Dat is in elk geval wel de zorg van Tweede Kamerlid Attje Kuiken, die voor de PvdA onder meer de politie in haar portefeuille heeft. ‘Wij zijn inderdaad bang dat straks de aandacht voor lokale veiligheid wordt ondergesneeuwd door landelijke issues’, zegt Kuiken, ‘Op papier klopt het allemaal, maar de praktijk is weerbarstig. Je ziet nu al dat gemeenten die geen korpsbeheerder zijn minder greep hebben op hun lokale veiligheidsbeleid. Onder de nieuwe Politiewet komen gemeenten nog verder op afstand te staan.’
Kuiken constateert hierin een grote tegenstrijdigheid met de tendens dat er juist steeds meer naar gemeenten verschoven wordt: ‘Verantwoordelijkheden op het gebied van werken tot zorg zijn naar gemeenten gegaan. Burgemeesters hebben er meer bevoegdheden bij gekregen als het om openbare orde gaat. Denk aan de Voetbalwet die vorig jaar september is ingegaan. Er is een aantal bestuurlijke wetten aangenomen waarmee burgemeesters gebiedsverboden of samenscholingsverboden kunnen instellen. Maar de mensen die het allemaal moeten doen, de mannen en vrouwen van de politie, daar ga je als gemeente straks niet meer over.’
Lokale link
Natuurlijk ziet Kuiken ook voordelen van de nieuwe Politiewet: ‘Dat je ict en inkoop centraal kunt regelen is prima. Maar een grote reorganisatie kost ook altijd veel tijd en geld. Ik heb met Britse parlementariërs gesproken, in Groot-Brittannië wordt de politie al enige jaren sterk centraal aangestuurd. Daar willen ze graag terug. De reorganisatie heeft ze ontzettend veel geld gekost en het belangrijkste zorgpunt: ze zijn de lokale link kwijt.’
Die lokale link die juist zo belangrijk is: een wijkagent die aanspreekbaar is voor mensen, die contacten heeft met partners als jeugdzorg en gemeente. Kuiken: ‘Dat staat onder druk. Lokale bestuurders en volksvertegenwoordigers moeten er echt scherp op zijn dat zij capaciteit blijven houden voor lokaal veiligheidsbeleid. Het is nu in veel gemeenten al usance om een integraal veiligheidsplan door de raad te laten vaststellen. Het wordt nog belangrijker om hierin goed vast te leggen hoeveel capaciteit je straks hebt. De PvdA gaat bij de behandeling van het wetsvoorstel in elk geval amendementen en moties indienen om de lokale politiezorg goed te verankeren. We willen dat veiligheidsplannen synchroon lopen met de beheercyclus van de gemeente en we willen dat de minister met een goed instrument komt om de effecten van het invoeren van nationale politie op lokaal niveau goed te meten. Wanneer landelijke prioriteiten straks het lokale veiligheidsbeleid dreigen onder te sneeuwen, moeten gemeenten echt direct aan de bel trekken bij de Tweede Kamer. Ik denk dat de minister straks wel vaker naar de Tweede Kamer wordt geroepen. We moeten de nieuwe Politiewet zo goed mogelijk invullen, want dat deze er komt, is gewoon een gegeven.’
Achterhoedegevecht
Dat is ook het uitgangspunt van Nol Kleijngeld, sinds 2007 burgemeester van Waalwijk. ‘Die nationale politie komt er gewoon. Macro bekeken begrijp ik wel dat Guusje ter Horst begonnen is met het inzetten van een reorganisatie. 26 Meldkamers is natuurlijk erg inefficiënt, om maar eens iets te noemen. Opstelten pakt nu door. Inmiddels zijn de korpschefs ook vóór. Het is zonde van je energie om achterhoedegevechten te voeren.’
Kleijngeld loopt al lange tijd mee in het lokaal bestuur, was van 1986 tot 1993 raadslid in Waalwijk, waar hij geboren en getogen is, daarna was hij er wethouder. In 2000 werd hij burgemeester in het Limburgse Helden: ‘Daar heb ik ook het nodige bij de hand gehad: wat dacht je van de moskee die in brand gestoken werd na de moord op Theo van Gogh? De internationale pers dook daar bovenop.’ Zijn huidige gemeente telt 46.000 inwoners en vervult een sterke regionale functie. ‘Een interessante plaats’, vindt Kleijngeld: ‘Van oudsher bloeide hier de schoenen- en leerindustrie, nu hebben we hier een enorm industriegebied. En we hebben een eigen eredivisieclub: RKC.’
Spanning
Met name die voetbalclub vraagt van Kleijngeld nogal eens extra aandacht waar het gaat om openbare orde en veiligheid. De Beloftenfinales bijvoorbeeld, die de KNVB in het Waalwijkse stadion organiseert. ‘Vorig jaar zou Feyenoord meedoen, dat een zeer beroerd seizoen achter de rug had. Na diverse signalen dat dit wel eens uit de hand zou kunnen lopen, heb ik de wedstrijd moeten verbieden.’
Verder kent zijn gemeente de nodige drugsproblematiek: ‘Dat geldt voor heel Brabant. Voor de aanpak hiervan is een taskforce opgericht. Brabant is economisch booming en de criminaliteit gaat hiermee helaas hand in hand.’ Zijn gemeente kampt ook met jongerenproblematiek. Die is weliswaar ‘niet bovengemiddeld’, aldus Kleijngeld, maar hij wil er wel iets mee. ‘Juist hier kunnen zaken straks gaan knellen. In een van de kernen hebben we last van vandalisme en intimiderend gedrag van jongeren tegen bewoners. Ik zet daar politie in voor een structurele aanpak. De wijkagent werkt samen met partners als jeugdzorg en maatschappelijk werk en dan blijkt dat het probleem terug te brengen is tot een paar gezinnen. Met díe jongeren kun je aan de slag. Maar daar heb ik de politie dus echt bij nodig.’
Lokale bestuurders moeten er dus scherp voor waken om straks niet qua prioriteiten tweede keuze te worden, aldus Kleijngeld: ‘Er is altijd, ook nu al, die spanning tussen boeven vangen en openbare orde en veiligheid. In het driehoeksoverleg dat ik met de politiechef en de officier van justitie heb, komt de officier op voor boeven vangen. Als burgemeester dien ik ook een ander belang: ik wil dat het veiligheidsgevoel van mensen in hun wijk of buurt gewaarborgd is.’
Vrije ruimte
Met het invoeren van een nationale politie wordt de rol van het OM, dat ‘boeven wil vangen’, heel sterk en kom je als burgemeester een ‘beetje in de achterhoede’, vreest Kleijngeld: ‘De politie kan niet alleen maar repressief zijn, een wijkagent is een belangrijk onderdeel van een lokaal netwerk.’ Ook hij komt met een voorbeeld uit de Britse praktijk: de rellen die eerder dit jaar diverse steden teisterden. ‘Cameron pakt heel demonstratief de vervolging van al die jongeren op. Maar als je nu eens kijkt hoe het zover kon komen, dan blijkt men daar bijvoorbeeld weinig ervaring met de wijkagent te hebben. De politie is niet lokaal ingebed.’
Kleijngeld wil iets te zeggen houden over zijn ‘eigen politie’ en niet benadeeld worden door ‘Haagse incidentenpolitiek’. Onder de nieuwe Politiewet moet een ‘vrije ruimte’ komen voor lokale bestuurders, bepleit hij: ‘Maak harde afspraken over de inzet van de politie voor de lokale veiligheid. Of dat nou tien of vijftien procent van de capaciteit moet zijn is afhankelijk van wat er speelt in je gemeente. Voor Amsterdam zal dat een ander percentage zijn dan voor Waalwijk. Maar je moet niet hebben dat teamchefs kunnen zeggen: “Sorry, ik kan niemand inzetten, want Opstelten wil dat ik dit of dat doe”.’
Hij is er zeker voor om de raad hierin te betrekken en juist in het integraal veiligheidsbeleid de politie-inzet te borgen. ‘En uiteindelijk’, besluit Kleijngeld vol vertrouwen, ‘willen Den Haag en wij toch gewoon hetzelfde.’
Nationale politie in vogelvlucht
> Eén landelijk politiekorps, verdeeld in tien regionale eenheden
> De minister van Veiligheid en Justitie krijgt de volledige ministeriële verantwoordelijkheid voor de nationale politie
> Eén korpschef krijgt de leiding over het landelijk korps. De tien regionale eenheden vallen onder deze korpschef
> Lokaal maken burgemeester en officier van justitie afspraken over de inzet van de politie. Iedere gemeente maakt een veiligheidsplan, op grond hiervan stuurt de burgemeester de politie aan
> Op 1 januari 2012 moet één nationale politie een feit zijn