Zoeken

Publicaties

Met of tegen elkaar?

Wat is samenwerking? Dat is een vraag die ik me vaak stel sinds ik secretaris van het CLB ben geworden. De hele samenleving hangt aan elkaar van relaties, van onderlinge verbanden waarin samengewerkt wordt. In ideologische verbanden moet worden samengewerkt, wil je je gedachtegoed kunnen verwezenlijken. Om onze idealen van vrijheid, democratie, rechtvaardigheid en solidariteit te kunnen bereiken, hebben we elkaar nodig.
Waarom dient deze vraag zich aan? Samenwerken binnen de partij is blijkbaar niet eenvoudig. Daar spelen allerlei zaken in mee. Bijvoorbeeld hebben ‘we’ (ook ik) een opvatting over hoe de ander zijn werk zou moeten doen, maar bovenal hoe de ander het beter zou kunnen doen. ‘Wij’ hebben betere ideeën over hoe je oppositie moet voeren in de Tweede Kamer, ‘wij’ hebben betere ideeën over welke keuzes lokaal moeten worden gemaakt, ‘wij’ weten beter langs welke meetlat we elkaar moeten beoordelen enzovoorts.
De gezamenlijke acties rond het bestuursakkoord zijn een voorbeeld van hoe effectieve samenwerking wel kan worden bereikt. Maar ook daar schuilt een gevaar, namelijk dat iedereen dit succes wil claimen als het eigen succes. Terwijl het succes alleen kan worden geclaimd voor ‘de partij’.
Onze gesprekken over samenwerking gaan vooral over de vraag ‘waarom heb je niet …’,
gericht op het handelen van de ander. Reflectie op het eigen handelen of de vraag hoe en waar we elkaar kunnen versterken is er zelden bij.
Daarin zit waarschijnlijk een deel van de kern waarom samenwerking binnen een ideologische club als de onze af en toe zo moeilijk is. Namelijk het gegeven dat je eigen belang ondergeschikt is aan het belang van de partij, van de idealen die je nastreeft. Op alle fronten zie je dat dit moeilijk is. Recent weer in Veenendaal, waar een driemansfractie niet in staat was een oplossing te vinden en te accepteren voor hun onderlinge samenwerking en voor de vraag wie fractievoorzitter zou moeten zijn. Een zaak waarin uiteindelijk de beroepscommissie tot een uitspraak is gekomen en waarin geen winnaars of verliezers zijn.
In onze kritiek en houding schieten we óf door óf we reageren helemaal niet. ‘We’ hebben allemaal een opvatting over hoe ‘wij’ het zouden doen als ‘wij’ geconfronteerd zouden zijn met de problemen zoals bijvoorbeeld in Utrecht. Hard optreden, geen thee maar zwarte koffie, met het gestrekte been erin zijn de termen die daarbij horen. ‘We’ zijn dan heel nieuw flinks.
Maar we zijn ook wispelturig en hebben verschillende maten waarmee we meten. Wat mogen onze politieke vertegenwoordigers en kandidaten wél? Welke normen hanteren we en hoe consequent zijn we daarin? Mag je meer verdienen dan de Balkenende-norm en wat telt dan als inkomen? Mag je strafbare feiten plegen en vertegenwoordiger van onze partij blijven of word je direct het lidmaatschap ontnomen. Veroordelen wij direct of wachten we het oordeel van de rechter af? Opnieuw: hoe consequent zijn we daarin?
Onduidelijkheden over wat we wel en niet van elkaar kunnen en mogen verwachten bevorderen het samenwerken niet. Te vaak worden verschillende meetlatten gebruikt, afspraken op het laatste moment afgezegd of is onduidelijk wie wanneer met wie praat. Goede ideeën stranden door een gebrek aan samenwerking. Daardoor blijft het mogelijk elkaar vooral te benaderen vanuit de opvatting hoe wij vinden dat de ander het moet doen in onze partij, terwijl we zelf onzichtbaar zijn.

Uit publicatie
Lokaal Bestuur, Jaargang 33 nr. 10
oktober 2011

Auteur
Jacqueline Kalk