Zoeken

Publicaties

Brabant en Limburg worstelen met intensieve veehouderij

Over een half jaar, op 2 maart 2011, gaan we naar de stembus om de leden van Provinciale Staten te kiezen. Voor Lokaal Bestuur aanleiding om een rondje langs de provincies te maken, waarbij telkens een belangrijk thema centraal staat. We beginnen in Noord-Brabant en Limburg. In deze provincies vormen de intensieve veehouderij en de daaraan verbonden gezondheidsrisico’s een hot issue. Een gesprek met de Brabantse statenleden Annegien Wijnands en Rob Wagemakers en met hun Limburgse PvdA-collega Alouis Heijmans.

Sinds de uitbraak van de klassieke varkenspest eind jaren negentig worden in zowel Noord-Brabant als Limburg pogingen ondernomen om de veehouderij overeind te houden en tegelijkertijd een dynamisch platteland te behouden. Uiteraard spelen ook de recente ontwikkelingen rond de Q-koorts een rol. Grote veehouderijen moeten uit de buurt van woonkernen en natuurgebieden verdwijnen. Dat kan door te stoppen of door te verhuizen naar speciaal aangewezen landbouwontwikkelingsgebieden. Maar rendement staat voorop, zolang de consument niet extra wil betalen. Tegelijkertijd is er een groeiende ongerustheid over de gevolgen van de intensieve veehouderij voor de gezondheid.

Hoe kan het dat er lang zo weinig aandacht is geweest voor de gezondheidsaspecten van de intensieve landbouw?

Wijnands en Wagemakers: ‘Tot 1997 was er in Noord-Brabant eigenlijk nauwelijks sprake van intensieve veehouderij. Door de varkenspest die toen uitbrak werd men zich bewust van het feit dat dierziekten tot een epidemie onder dieren kunnen leiden. Er kwam behoefte aan het meer planmatig indelen van veehouderij en natuur. Dat ging dus over het bij elkaar plaatsen van dierbedrijven, maar ook over ruimte voor natuurontwikkeling en leefbaarheid van het platteland. In 2009 kwam het burgerinitiatief ‘Megastallen nee’ met meer dan 30.000 handtekeningen en dat hebben we in maart 2010 in Provinciale Staten besproken. Vanwege de Q-koorts kreeg dat extra aandacht.’
Heijmans: ‘Varkenspest was er altijd al, maar nooit in de omvang als in 1997. En antibiotica werd altijd al gegeven, maar de laatste jaren gebeurt het op steeds grotere schaal om ziekten te voorkomen; preventieve maatregelen dus. En daar valt op zich wel wat voor te zeggen, want áls een virus toeslaat kan dat je hele bedrijf om zeep helpen. Maar het risico is dat virussen in de varkenshouderij of bij een pluimveebedrijf er immuun voor worden. Het is een tendens die je bij mensen ook terug ziet: medicijnen slikken ‘voor het geval dat’. Omdat wij als politiek er niet goed raad mee weten, schrijven we ‘voor de zekerheid’ een minimale afstand tussen bedrijven voor. Zonder dat we weten wat de lopende onderzoeken gaan uitwijzen. In feite kun je als de uitkomst daarvan binnen is – we hopen eind van dit jaar – pas reële eisen gaan stellen aan de boeren. Maar begrijp me goed: je kunt niet meer volstaan met alleen maar te zeggen dat we tien jaar geleden al voorzien hadden dat die ontwikkeling zich zou voordoen. Ondertussen telt Limburg alleen al 1,8 miljoen varkens. En waren er zeven geitenhouderijen besmet met Q-koorts. Op 15 juli van dit jaar is het fok- en vervoersverbod van geiten voorlopig opgeheven. In afwachting van de resultaten van het entingsprogram. Maar het wordt nu hoog tijd dat we onze verantwoordelijkheid gaan nemen. Wel rijkelijk laat, ja.’
Wijnands en Wagemakers: ‘In 2009 stierven er in Brabant 12 mensen aan Q-koorts en ruim 300 mensen werden ziek. Onze Commissaris van de Koningin, Van der Donk (CDA), zei uiteindelijk: ‘We hebben lang genoeg op Den Haag gewacht; zó kan het niet verder’. Ook boeren willen geen Q-koorts op hun bedrijf. Zij weten ook wel dat volksgezondheid een grote rol moet spelen in hun bedrijfsvoering. Zij willen maar al te graag van hun negatieve imago af. Zij waren net zo onwetend en misschien ook onoplettend als wij allemaal. Vandaar dat een gedegen en onafhankelijk onderzoek zo belangrijk is. Ondertussen is wel bekend dat mensen ziek kunnen worden van virussen die dieren ziek maken. Maar hóe dat precies gaat is nog steeds onbekend. Hoe maak je dan maatregelen geloofwaardig?’
Heijmans: ‘Aan de hand van veronderstellingen en niet complete onderzoeken worden nu ‘alvast maar’ voorwaarden gesteld, maar zeker weten doen we niks. Door die onduidelijkheid ontstaat er ook steeds meer onrust onder de bevolking op het platteland. Het is een gegeven dat er een spanningsveld ontstaat, daar waar het gaat om het toekomstperspectief van de intensieve veehouderij. Het wordt steeds moeilijker om op een zakelijke manier een gesprek met elkaar te voeren. Partijen graven zich in. Ieder ondersteund door een keur aan eigen deskundigen. Wij hebben als Provinciale Staten van Limburg aan de Zuidelijke Rekenkamer gevraagd om een rapport uit te brengen over het bereiken van doelstellingen zoals die in de reconstructieplannen zijn vastgelegd.’

Doelt u daarmee op de Reconstructiewet van 2002, waarmee vijf provincies hun intensieve veehouderijen beter moeten inpassen?

Heijmans: ‘Inderdaad. Daarin is vastgelegd hoe het platteland er in de toekomst uit moet zien. Waar dus ook de intensieve veehouderij een plaats moet krijgen. Ik vraag me af wat daar de afgelopen jaren van terecht is gekomen. Die wet is bovendien onder toenemende druk komen te staan door het uitbreken van de Q-koorts en andere ziekten. De hoogste tijd om de balans eens op te gaan maken. Onlangs is er – mede op initiatief van de PvdA – dan ook een landelijk onderzoek gestart naar de mogelijke effecten van de intensieve veehouderijen op de volksgezondheid. Nu pas ja… Noord-Brabant heeft vooruitlopend op de resultaten daarvan alvast maatregelen genomen door de bouw van megastallen aan banden te leggen. Een belangrijke vraag is dan in hoeverre er verschil is tussen de beleidsuitgangspunten van Noord-Brabant ten opzichte van Limburg. Het kan toch niet zo zijn, dat er een wezenlijk verschil in benadering is ontstaan tussen laat ik zeggen de Limburgse kant van De Peel en de Brabantse kant? Een verschil dat dan bepaald wordt door een theoretisch lijntje dat provinciegrens heet? Daar moet snel duidelijkheid over komen. En daar moet landelijk, vanuit Den Haag, een antwoord op komen. Nu gaat iedere provincie zijn eigen gang.’
Wijnands en Wagemakers: ‘We hebben als provincies onderling geen of nauwelijks contact met elkaar. Dat is inderdaad wel vreemd. Maar zo gaat dat nou eenmaal in de provinciale politiek. Ieder zijn eigen gebied en eigen verantwoordelijkheden. Dat zou anders moeten, ja. Nu moet elke provincie zelf maar zien hoe en onder welke voorwaarden de intensieve veehouderij ruimte geboden wordt op het platteland. Dat leidt tot maatregelen die niet op elkaar zijn afgestemd. Bij ons geldt sinds kort een vergunningstop voor nieuwe vestigingen van intensieve veehouderijen en voor de bouw van stallen groter dan 1,5 hectare. Dat geldt overigens niet voor grondgebonden bedrijven, waar de dieren buiten lopen in plaats van in stallen. De al ingestelde bouwstop voor geiten- en schapenhouderijen wordt met twee jaar verlengd. Onlangs is er met medewerking van Tweede Kamerlid Lutz Jacobi een bijeenkomst geweest voor alle provinciale woordvoerders landelijk gebied. Een goede eerste stap om te horen wat er in andere provincies speelt.’
Heijmans: ‘Ik heb het gevoel dat ook de PvdA-kamerfractie er wat dubbel in zit. Aan de ene kant is er het besef dat maatregelen noodzakelijk zijn vanwege de gevolgen voor milieu en volksgezondheid. Aan de andere kant wordt – en ook wel terecht – onderkend dat het hier om een belangrijke sector gaat, die economisch van groot belang is voor export en werkgelegenheid. Bovendien: ook een boer wil zijn werk gewoon kunnen doen en deel uitmaken van de samenleving, zonder op een dorpsfeest met de nek te worden aangekeken.

Toch bestaat bij ‘de buitenwacht’ nog altijd de indruk dat de landbouw een gesloten front vormt, dat de hakken in het zand zet.

Heijmans: ‘Dat was tot voor kort zeker het geval, maar de sector stelt zich nu over het algemeen steeds meer open op. Wil ook het gesprek met alle betrokkenen aangaan, is mijn ervaring. De meest emotionele reacties komen nu eigenlijk van de mensen en groeperingen die zich hevig tegen de komst van megabedrijven verzetten. Die weerstand groeit. Men verzuimt daarbij naar elkaar te luisteren. Aan beide kanten leeft nog te veel wantrouwen. De ontwikkelingen voltrekken zich in een hoog tempo. Bedrijven met 15.000 varkens zijn allang geen uitzondering meer. Wat zijn daarvan de gevolgen voor mens en milieu? We weten het gewoonweg niet. Angst voor het onbekende voert nu de boventoon. Daar ligt voor ons, als politiek, een belangrijke rol om eindelijk duidelijkheid te verschaffen.’
Wijnands en Wagemakers: ‘Wij merken in onze provincie – ook in gemeenten – wel dat met name het CDA het voor het zeggen heeft. Daar wordt ‘nee’ gedicteerd als het om verandering gaat. Van oudsher is dat toch een partij die waakt over het agrarisch dossier. Maar ook in Den Haag zat/zit er natuurlijk een CDA-minister van LNV. De Tweede Kamer had weliswaar aangegeven dat er in ons land ruimte is voor grootschalige veebedrijven, maar dan wel in daarvoor aangewezen gebieden, de landbouw ontwikkelingsgebieden. Provinciale Staten stelde dat beleid in hoofdlijnen vast en de gemeenten horen te zorgen voor de concretisering daarvan. Ga er maar aanstaan. Het gaat over zóveel schijven dat het bijna onwerkbaar is.’

Maar is het juist niet de politiek zélf die dat kan veranderen? Of lopen we vast in onze eigen regeldrift?

Wijnands en Wagemakers: ‘Niemand durft te snel verantwoordelijkheid te nemen. Men is bang voor de consequenties en wijst naar elkaar. Alles moet diepgaand onderzocht worden voordat er een stap voorwaarts wordt gezet. Op zich niet verkeerd, maar het schiet niet op. En maatregelen halen elkaar weer in. Het ene plan overlapt het andere. Daar zou Den Haag zich eens mee moeten gaan bemoeien. Zeker waar het gaat om volksgezondheid. De minister, ook weer CDA, is de enige die daar over gaat. Wij kunnen als statenleden slechts voorwaarden scheppen. Praten met partijen die iets afweten van dier- en mensgezondheid. De vinger aan de pols houden. Maar we mogen geen maatregelen treffen. En dat terwijl Noord-Brabant met zo’n tweeëneenhalf miljoen inwoners per inwoner 17 stuks vee telt. Dan reken ik de kippen en kuikens ook mee hoor. Wij hebben als PvdA dan ook van volksgezondheid een integraal issue gemaakt in de staten. Onze VVD-collega’s doen daar trouwens graag aan mee. Het CDA kwam zodoende alleen te staan in het debat over minder groei van megabedrijven. Uiteindelijk konden zij niet anders dan het belang van de volksgezondheid ook onder ogen zien. Waardoor het college bijna 180 graden draaide. Bedrijven moeten weg bij dorpskernen en er wordt een halt toegeroepen aan de toename van het aantal dieren per bedrijf. Ook de dierenartsenij zal kritisch gevolgd worden. Als je ook maar enig vermoeden hebt dat mensen ziek kunnen worden van een veestapel, mag je niet afwachtend toezien.’
Heijmans: ‘Regelgevingen op het gebied van dierwelzijn en milieu leggen een zware druk op de pluimvee- en varkenssector. Vandaar dat er een grote behoefte bestaat aan een fundamentele discussie hierover. Maar dan wel aan de hand van onafhankelijke rapportages. We moeten toch in staat zijn om verstand en emotie van elkaar te scheiden en op basis van Europese richtlijnen tot een zorgvuldig standpunt te komen? In Tungelroy, gemeente Weert, heeft men dat goed begrepen. Hoe het daar gegaan is mag een voorbeeld zijn voor velen. De gemeente ging eerst om tafel met bewoners, dorpsraad, boeren en plaatselijke actiegroep. Openhartig werd gesproken over ‘waar de pijn zat’. Zoals over stankoverlast, fijnstof, aantasting van het landschap en gezondheidsrisico’s. Voordat er stappen werden gezet werd er ook een landschapskwaliteitsplan opgesteld. Door toepassing van de modernste technologie bleek er aanzienlijke milieuwinst te behalen. Maar de daarmee gepaard gaande investeringen bleken echt alleen te financieren bij een zekere schaalgrootte. Dat werd begrepen. Dus dankzij veelvuldig overleg werd er geen enkel bezwaarschrift ingediend.’

Toch komt de vestiging in/verhuizing naar de landbouwontwikkelingsgebieden moeizaam van de grond. Dat komt toch niet alleen door bezwaarschriften?

Wijnands en Wagemakers: ‘Vergeet niet dat zo’n verplaatsing van een bedrijf de nodige toestanden met zich brengt. Niet alleen financieel, waar overigens een vergoeding voor bestaat, maar ook juridisch en mentaal. Boeren worden soms gedwongen om hun bedrijf te verplaatsen of te verkopen. Familiebedrijven worden industrieën. Schaalvergroting lijkt onontkoombaar om het hoofd boven water te houden. Dat beseffen ook wij. De discussie over duurzaamheid verhardt, daarom moeten we zoeken naar gezamenlijke raak- en uitgangspunten. Respect bewaren.’
Heijmans: ‘Wet- en regelgeving zijn daarbij bepalend voor alle partijen. Maar uiteindelijk is het de vraag ‘wat doet de consument?’. Gaat die nog steeds het liefst voor de goedkope kiloknaller of komt men uiteindelijk tot het besef dat elk type vlees zijn prijs heeft. Zijn we bereid te betalen voor dier- en menswelzijn? De sector is op alle fronten hevig in beweging, zoveel is zeker.’

Uit publicatie
Lokaal Bestuur, Jaargang 34 nr. 9
september 2010

Auteur
Harriƫt van Domselaar