Max van den Berg: Bestuur niet op afstand zetten
Het middenbestuur staat onder druk. Wat is de toekomst van provincies en waterschappen? Eén van de scenario’s die de werkgroep Openbaar Bestuur heeft geschetst in het kader van de miljardenbezuinigingen is zelfs opheffing van alle provincies en een grootschalige herindeling van gemeenten. In die schets zouden er dan slechts een kleine dertig ‘kerngemeenten’ overblijven. De Groningse commissaris van de koningin Max van den Berg vindt dat geen goed plan: ‘De burgers moeten het beleid dragen. Dan moet je het openbaar bestuur niet op afstand zetten.’
Al in zijn nieuwjaarstoespraak van 2 januari dit jaar waarschuwde Van den Berg voor ontwikkelingen die de positie van de provincies aantasten. Het financieel uitkleden van de provincies zou volgens hem een rem zetten op de ontwikkeling van gebieden die economisch in de lift zitten. Daarnaast stipte hij nog een andere trend aan die het functioneren van de provincies flink aantast: de toenemende neiging van het Rijk om vanuit Den Haag alles te willen regelen. Van den Berg noemde onder andere de gebiedsontwikkeling van Noord-Nederland als voorbeeld. ‘Het kan niet zo zijn dat de provincies worden gedegradeerd tot Haagse zetbazen.’ Dit zou volgens de Groningse commissaris bovendien leiden tot een geldverslindende bureaucratie en verspilling van kostbare tijd én van kennis die juist in de betrokken regio aanwezig is. ‘Zo help je de regionale democratie om zeep.’
Spinnewebben
Vanzelfsprekend staat Max van den Berg nog steeds achter zijn betoog van begin dit jaar. ‘Er ligt nu een aantal scenario’s op tafel. Eén daarvan is dat de BV Nederland als één bedrijf wordt beschouwd. In die gedachte wordt alles centraal geregeld. Het is een efficiencybenadering. Mijn reactie daarop is: bent u zich wel bewust dat wij een land zijn waar burgers kritisch zijn tegenover de overheid? De overheid krijgt haar gezag moeilijk gelegitimeerd. En dan is uw antwoord: laten we alles maar op afstand zetten? Dat kan niet. Natuurlijk, er moeten veel spinnewebben weggehaald worden tussen het Rijk en de provincies en tussen de provincies en de gemeenten. Er zijn nu te veel tussenlagen en er is te veel toezicht op toezicht, om enkele voorbeelden te noemen. Het verhaal van de Nederlandse provincies is dat het Rijk de centrale regie uitoefent en kaders stelt. De provincies voeren vervolgens de regie op het fysieke, het ruimtelijke en het bovengemeentelijke terrein. Zaken als wegenbeheer, waterstaat en de inrichting van het landelijke gebied kunnen beter decentraal worden aangepakt. Het Rijk moet dat loslaten.’
Proeftuin
Van den Berg ziet een essentieel verschil in de benadering tussen de provincies en de werkgroep Openbaar Bestuur. ‘De werkgroep heeft puur naar het geld gekeken en bij de provincies zijn de burgers en het lokaal bestuur veel sterker in beeld.’ In dat standpunt wordt Max van den Berg gesteund door onder andere hoogleraar staatsrecht Douwe Jan Elzinga. Hij gaf de kwalificatie ‘dwaas’ aan de voorstellen van de werkgroep, die naast opheffing van de provincies ook het alternatief schetst van samenvoeging van een aantal provincies. Over die laatste optie zegt hij in het Dagblad van het Noorden (2 april 2010): ‘Het is een draconische maatregel. Je blaast de lokale democratie op. En waarvoor? Er is alleen gekeken naar financiën, de burger is over het hoofd gezien.’
Dat alles efficiënter moet, ziet Van den Berg ook wel in. ‘Ook wij willen goedkoper werken, doelmatiger werken, maar we willen ook een democratisch draagvlak. En dat democratische draagvlak komt in het geding als je Groningen, Friesland en Drenthe gaat samenvoegen tot één provincie. Dan zet je het bestuur op afstand. Bovendien: wat heeft een inwoner van Leeuwarden met, ik noem maar wat, het Oldambt? Vooral plattelandsgebieden – en daar kun je de drie Noordelijke provincies toe rekenen – hebben een eigen culturele identiteit. Neemt niet weg dat wij als drie Noordelijke provincies intensief samenwerken. In feite hebben we hier een proeftuin gecreëerd met z’n drieën. We werken op diverse terreinen nauw samen en maken met z’n drieën op bepaalde terreinen eigen beleid. Uiteraard allemaal binnen de rijkskaders. Vooral onze samenwerking op economisch gebied oogst bewondering. Want het levert banen op en economische kracht. Het is het perfecte antwoord op onnodig centralisme.’
‘Ons beleid heeft de sympathie van het ministerie van Binnenlandse Zaken, mede omdat het vernieuwend is in het binnenlands bestuur. Maar andere departementen, bijvoorbeeld Economische Zaken, denken er weer anders over. Die discussies die wij als provincies met ‘Den Haag’ hebben, gaan soms alle kanten op. Wij als provincies weten wat we willen. Maar de ene keer ontmoet je begrip van mensen die ook vinden dat de kwaliteit van het openbaar bestuur verbeterd moet worden en de andere keer tref je de centralisten. Dat zijn de mensen die denken: hoe groter, hoe beter. Die willen dus alles vanuit Den Haag regelen. Ja, zo kun je ook voorstellen om alle universiteiten in Nederland samen te voegen tot één grote universiteit. Theoretisch kan dat, maar ik zie de bureaucratie voor mijn neus groeien. En dat lijkt me juist niet de bedoeling.’
Maar er zijn ook andere geluiden. Zo pleitte Boele Staal (D66) als commissaris van de koningin van Utrecht destijds voor de vorming van een Randstadprovincie. Staal, inmiddels voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Banken, ziet een provinciale herindeling nog steeds zitten. Van den Berg: ‘Er is al vaak geprobeerd in de Randstad te komen tot een effectiever bestuur. We moeten vaststellen dat dit tot nu niet is gelukt; ze zijn er in de Randstad niet uitgekomen. Maar je moet je ook afvragen of samenvoeging van provincies de oplossing van problemen is. Je kunt zaken beter praktisch oplossen dan via blauwdrukken.’
Uitgestoken hand
Het debat over de toekomst van de provincies heeft dus geen eenduidige richting. ‘Dat debat gaat erg op en neer’, zegt Van den Berg. ‘Het moet goedkoper, maar ondertussen moet ook de democratie versterkt worden. Het is een volstrekt open debat. Maar ik denk dat uiteindelijk toch erkend wordt dat zonder ons, de provincies, niet alle zaken kunnen worden opgelost. Ik heb steeds een uitgestoken hand naar ‘Den Haag’. Ik wil meehelpen, partner zijn. Ik ben er van overtuigd dat ook in de toekomst de provincies belangrijk zijn binnen het binnenlands bestuur. Maar niet alleen ambtelijk, ook politiek wordt heel verschillend gedacht over de rol van de provincies in de toekomst. Zo zijn er binnen de VVD al twee stromingen. Eentje die kiest voor centralisatie en eentje die kiest voor de regionale dynamiek. Kijk ik naar mijn eigen partij, dan constateer ik dat het Centrum voor Lokaal Bestuur duidelijk is over de rol van de provincies en de integratie van de rol van de waterschappen binnen die provincies. Daar kunnen we ons zeer goed in vinden. Neem van me aan dat we als provincies lobbyen voor ons standpunt, via allerlei kanalen.’
Bezuinigingen
Al ruim voor de presentatie van de brede heroverwegingen werden de provincies met forse bezuinigingen geconfronteerd. Voor Groningen kwamen deze uit op 35 miljoen structureel. ‘En dat hakt er nogal in’, zegt Van den Berg. ‘Maar ja, de overheid draagt het zwaard niet tevergeefs, om maar een oude ARP-leus aan te halen. Het komt heel hard aan. Zaken als sport, cultuur en welzijn kunnen in Groningen niet volledig door de gemeenten worden gedragen, financieel gezien. Dus springen wij bij. Maar op sport, cultuur en welzijn zullen we nu flink moeten schrappen en dat gaat pijn doen. Zoals het schrappen van meer dan honderd ambtenaren ook veel pijn doet. We proberen het allerbelangrijkste overeind te houden, maar dan nog blijft het een nare zaak. Er zal veel zinvols worden afgebroken, dat is zeker. Maar we kunnen onze ogen niet sluiten voor het feit dat we door de kredietcrisis een stuk armer zijn geworden.’
Als Max van den Berg het voor het zeggen had gehad, was het anders gegaan met die bezuinigingen. ‘Laat duidelijk zijn dat, als de rijksoverheid moet bezuinigen, het reëel is dat de provincies dat ook doen. Maar nu zijn er bezuinigingsbedragen vastgesteld van zo’n omvang dat je er als provincies niet onderuit komt om zaken te stoppen die maatschappelijk heel waardevol zijn en vaak ook nog over een langere termijn zijn uitgesmeerd. Als je vervolgens ook nog ziet dat de gemeenten ook fors moeten inleveren, dan kun je bepaald niet van een win-win-situatie spreken. Maar hoe dan ook zullen we moeten blijven investeren in de economie. Want dat levert banen op. We moeten zowel sterk als sociaal zijn.’