Zoeken

Publicaties

Amsterdam halveert aantal stadsdelen

Bij de inkrimping van het aantal stadsdelen gingen de bestuurders van de hoofdstad weliswaar niet over één nacht ijs, maar de knoop werd toch verrassend snel doorgehakt. Naar goed vaderlands gebruik werd eerst een commissie aan het werk gezet onder voorzitterschap van Bert Mertens, directeur van Rabobank Nederland. Het rapport van deze commissie leidde ertoe dat de hakken uit het zand gingen. Alle stadsdelen erkenden uiteindelijk de vele voordelen en nieuwe kansen als het aantal stadsdelen zou slinken. Volgens Fatima Elatik en Rob Post was het bij de besluitvorming een groot voordeel dat alle stadsdeelvoorzitters PvdA’ers zijn. ‘Wij hebben aan de basis hetzelfde sociale doel. Zowel voor de bewoners als voor de stad.’
‘Na een paar weken kwam de samenwerking al op gang’, vertelt Fatima Elatik enthousiast. Als stadsdeelvoorzitter van Zeeburg, binnenkort gefuseerd met Watergraafsmeer tot Amsterdam Oost, zag zij het samengaan met andere stadsdelen direct zitten. ‘Mijn handen jeukten om aan de slag te gaan,’ zegt ze. ‘Natuurlijk zal het allemaal wennen zijn, maar de wil is er, en je hebt allemaal eenzelfde doel voor ogen. Dan gaat het vast en zeker lukken.’
Rob Post, stadsdeelvoorzitter van Noord, deelt haar optimisme. Hij mocht deel uit maken van de commissie-Mertens (‘Dat verraste me, want ik ben altijd nogal uitgesproken in mijn mening’) en heeft als zodanig alle onderzoeken en voorbereidingen van nabij meegemaakt. Samen met Marijke Vos, Tjeerd Herrema, Dennis Straat en Arco Verburg werden - uiteraard ambtelijk ondersteund - eerdere rapporten en notities bestudeerd. ‘Naast het beraad in eigen kring zijn ook enkele deskundigen geraadpleegd en is er overlegd met deelraden of delegaties daarvan. Maar ook met bij Amsterdam betrokken maatschappelijke instanties.’

Kostenbesparing

De commissie had van burgemeester Job Cohen en Duco Adema, als voorzitter van het overleg van stadsdeelvoorzitters, de opdracht gehad om kort gezegd ‘uit te zoeken hoe het bestuur verbeterd en versterkt zou kunnen worden’. Rob Post: ‘Daarbij moest onder meer de schaalgrootte en een mogelijk andere indeling van de stadsdelen aan bod komen. Maar ook aspecten als ‘hoe kan de Centrale Stad haar regierol beter invullen’ en ‘hoe kunnen we optimaal voorzien in de behoeften van de burgers?’ En uiteraard moest het ook allemaal goedkoper. ‘De samenvoeging van de stadsdelen is dan ook als een gigantische kostenbesparing bedoeld’, valt Fatima Elatik hem daarin bij. ‘Zowel door efficiënter te werken als door het verbeteren van de samenwerkingscultuur. Alleen al in het sociale domein zaten er soms 35 portefeuillehouders bij elkaar die tot een besluit moesten komen. Dat werkt natuurlijk niet.’ Rob Post: “Ook hebben kleine stadsdelen hier en daar mensen in dienst – zoals een leerplichtambtenaar - die nauwelijks iets te doen hebben. Dat kóst alleen maar.’

Maatwerk

Het eens worden over taken en bevoegdheden van stadsdelen en de Centrale Stad bleek het moeilijkst. ‘Daar is in het verleden ook het meest over gebotst en gediscussieerd’, aldus beide stadsdeelvoorzitters. ‘Dat besef werd steeds sterker, dus er móest iets veranderen. De roep om duidelijke richtlijnen over wat gaat centraal en wat decentraal mondde uit in ‘decentraal wat kan en centraal wat moet’. Dat is de enige manier om de macht van de centrale dienst te doorbreken. De burgers worden beter bediend als de politiek dicht bij de mensen wordt gehouden. Maatwerk leveren, daar gaat het om. Daarvoor ken je je eigen stadsdeel het best.’
Van het Rijksgeld gaat er 40 procent naar de stadsdelen en de rest blijft centraal. Rob Post: ‘Bestemd voor grootstedelijke zaken als het afvalenergiebedrijf, de IJ-oeverontwikkeling, grondexploitatie en uiteraard de Noord-Zuidlijn. Brandweer en politie vallen formeel ook onder Cohen, maar er bestaat ook een zogeheten subdriehoek voor het meer lokale overleg.’
De Centrale Stad krijgt steeds meer taken op regionaal, landelijk en Europees niveau. Fatima Elatik: ‘Dat verandert inderdaad. Het wordt complexer. Vandaar dat er een duidelijke regierol moet zijn voor de stadsdelen. In de nieuwe opzet worden er - veel meer dan in de oude - politieke en bestuurlijke kaders aangegeven. Daarbinnen moeten wij de ons opgedragen taken uitvoeren. Dat worden er niet alleen meer, ze worden ook zwaarder. Steeds meer afspraken worden op stadsdeeloverstijgend niveau gemaakt. Door de schaalvergroting wordt dat beter uitvoerbaar. Die heroverweging van taken kan betekenen dat stadsdelen verantwoordelijk worden voor bijvoorbeeld leerlingenvervoer, inburgering en delen van de WMO. Er kan flink gesnoeid worden in de veelheid van overlegvormen. Steeds meer taken worden gedecentraliseerd. Dat is een nieuwe, mooie uitdaging voor ons allemaal.’

Geen nieuw stelsel

Rob Post: ‘We hadden als commissie (ter verbetering van het bestuurlijk stelsel van Amsterdam, red.) de opdracht gekregen om met een advies te komen. Niet met een volledig nieuw stelsel. Dat beviel namelijk al goed, maar er viel wel veel te verbeteren. Samen met de schaalvergroting, wordt er geïnvesteerd in buurtgericht werken en het verbeteren van de kwaliteit van de lokale overheid. In sommige stadsdelen trad een bepaalde luiheid op. Nu worden we gedwongen om taken goed uit te voeren. Emotioneel en organisatorisch zal het best nog wat voeten in aarde hebben.Ook daarmee is het vergelijkbaar met gemeentelijke herindeling. Veel zal daarbij afhangen van getoond leiderschap en wederzijds vertrouwen. En van de overtuiging dat we - in welk stadsdeel we ook wonen - allemaal Amsterdammer zijn.’

De zeven stadsdelen

Amsterdam bestaat vanaf de gemeenteraadsverkiezingen op 3 maart uit de zeven stadsdelen Oost (Oost-Watergraafsmeer, Zeeburg), Zuid (Zuider-Amstel, Oud-Zuid en een deel van Slotervaart), West (Westerpark, Oud-West, De Baarsjes, Bos en Lommer en een deel van Slotervaart), Nieuw-West (Geuzenveld, Osdorp, Slotermeer en -vaart en een klein deel van Bos en Lommer), Zuid-Oost, Noord en Centrum.
De laatste drie blijven in hun huidige vorm bestaan omdat ze én groot genoeg zijn én topografisch duidelijk afgelijnd. Er wordt in genoemde samenstellingen al regelmatig samengewerkt op gebieden als milieupolitie, leerplicht, riolering en afvalinzameling, waarvan de voordelen dus bekend zijn.
De samenvoeging van Amsterdamse stadsdelen raakt circa 3600 medewerkers. Voor verreweg de meesten van hen blijven de werkzaamheden gelijk; alleen de naam van de werkgever verandert. Door de reorganisatie zijn echter ook enkele functies ‘dubbel’ (secretaris, manager, griffier). Het streven is om aan de boventallige mensen een passende functie aan te kunnen bieden. Het aantal - op 3 maart te kiezen - raadsleden gaat terug van 322 naar 199, het aantal bestuurders van 49 naar 35. Dit is exclusief de Centrale Stad.


Rotterdam wacht nog even

Als aan Birsel Gümüs, PvdA-raadslid te Rotterdam, gevraagd wordt hoe er in haar raad gedacht wordt over samenvoeging van stadsdelen, klinkt er allereerst: ‘Wij noemen het deelgemeenten’. En daarna: ‘Voorlopig blijven die nog in de huidige vorm bestaan. Nog niet zo heel lang geleden zijn er zelfs enkele delen bijgekomen. Zoals Hoek van Holland en Rozenburg. Wat ook wel aardig is om te vertellen is dat Pernis zelfs te klein is om een deelgemeenteraad te hebben. Daar is een wijkraad, die overigens redelijk opereert.’
Wat in Amsterdam ‘de Centrale Stad’ is, oftewel de overkoepelende gemeenteraad onder leiding van burgemeester Job Cohen, noemt Birsel Gümüs ‘het stadhuis’. ‘Ik moet zeggen dat burgemeester Ahmed Aboutaleb daarin sterk aanwezig is en zeer gewaardeerd wordt.’

Pact op Zuid

Maar om op de deelgemeenten terug te komen: ‘Het is bijna vanzelfsprekend dat de ene beter
functioneert dan de andere. Dat heeft niet alleen te maken met de verschillende leefculturen en kwaliteiten van bestuurders, maar ook met de strategische ligging. Slechte bereikbaarheid leidt soms tot isolement. Vandaar dat er wel degelijk onderzoek is gedaan naar eventuele samenvoeging van deelgemeenten. Met als voorlopig resultaat dat er een soort pilot loopt met IJsselmonde, Charlois en Feyenoord onder de naam Pact op Zuid. Dat samenwerkingsverband kan als voorbeeld gaan dienen voor andere en wellicht leiden tot definitieve samenvoegingen.
Maar daarover wordt pas in een later stadium, in ieder geval ver ná de verkiezingen, beslist.’
De roep om een eerlijker verdeling van kansen, voorzieningen, scholen en een betere infrastructuur is er volgens Birsel Gümüs een die gehoord moet en zal worden. ‘De deelgemeenten kunnen elkaar versterken. Met alle vertrouwen in Dominic Schrijer, onze wethouder grotestedenbeleid, heeft dat weliswaar nog even tijd nodig, maar de eerste stappen zijn gezet. Onze wethouder Jantine Kriens heeft daar veel invloed op gehad. En nog steeds.’ De discussienota waarin werd geconstateerd dat overleg tussen stadsbestuur en deelgemeenten beter moet worden, de bevoegdheden en uitvoeringstaken duidelijker en beslissingen slagvaardiger, werd door een meerderheid van de raad onderschreven. Ook het aantal bestuurders en politici kan verminderen. Die meningen verschillen dus niet van de collega’s in de hoofdstad, men loopt in Rotterdam dus min of meer in hetzelfde spoor.
Op de vraag of er onderling overleg is geweest over dit onderwerp, wordt zowel in Amsterdam als Rotterdam geantwoord: ‘Niet dat ik weet. Hooguit misschien op persoonlijke titel. Maar we hebben als stad onze eigen verantwoordelijkheden.’

Uit publicatie
Lokaal Bestuur, Jaargang 34 nr. 3
maart 2010

Auteur
Harriƫt van Domselaar