Jeugdzorg: geen hakken in het zand
Over drie maanden, op 2 maart 2011, gaan we naar de stembus om de leden van Provinciale Staten te kiezen. Voor Lokaal Bestuur aanleiding om een rondje langs de provincies te maken, waarbij telkens een belangrijk thema centraal staat. Dit keer gaat het over de jeugdzorg. Het kabinet wil die overhevelen van de provincie naar de gemeente. Marc Witteman was als wethouder van Leiden altijd voor jeugdzorg in handen van de gemeente. Denkt hij daar nog zo over, nu hij gedeputeerde van Flevoland is? En gaat Sascha Baggerman, als gedeputeerde van Noord-Holland altijd een fel pleitbezorger van jeugdzorg in handen van de provincie, nu de strijd aan?
Om de spanning meteen maar weg te nemen: als het allemaal doorgaat zoals gepland, zullen Sascha Baggerman en Marc Witteman hun hakken niet in het zand zetten. ‘Maar dan willen we de jeugdzorg wel zo goed mogelijk overdragen aan de gemeenten,’ zeggen de verantwoordelijk gedeputeerden van respectievelijk Noord-Holland en Flevoland. ‘Met de kinderen als voornaamste betrokkenen in het vizier, want zij mogen niet óók nog eens de dupe worden van politiek gekrakeel. De jeugdzorg zit in de huidige vorm pas vijf jaar bij de provincie en in die periode is er meer geld beschikbaar gekomen en is de kwaliteit aanmerkelijk beter geworden. We kunnen als provincies de komende jaren dus juist een flinke slag slaan. Het zou heel jammer zijn als we die gelegenheid niet krijgen.’
Witteman: ‘Ik ben bang dat de taakoverheveling heel veel energie gaat kosten. Energie die wat mij betreft beter kan worden gebruikt om de situatie van de kinderen te verbeteren. Uiteindelijk doen we het daar toch allemaal voor. Overigens heeft een aantal stadsregio’s het de afgelopen tijd al zelf gedaan. Die lopen in feite voorop bij de ontwikkeling die nu landelijk zou moeten gaan gelden. De cijfers wijzen echter uit dat dit niet betekent dat deze regio’s het nu beter doen. Het tegendeel is eerder waar. Maar als het echt niet anders kan, dan moet het wel op voorwaarden gebeuren dat de jeugd die echt in de knel zit niet het kind van de rekening gaat worden. Dus niet overdragen voordat zeker is dat het voor álle kinderen in de provincie verantwoord kan gebeuren.’
Baggerman: ‘Ook ik wil het probleem beslist niet zomaar over de schutting van gemeenten gooien. Integendeel. Het liefst zou ik het voorlopig nog op het bordje van de provincie houden. Er valt nog veel te verbeteren, maar we zijn op de goede weg. Ondanks het feit dat we amper vijf jaar de verantwoording over jeugdzorg hebben, is er in die tijd al heel veel verbeterd. En wat niet onbelangrijk is: men weet ons te vinden. Als dat allemaal weer gaat veranderen, ben ik bang dat kinderen en hun ouders hier de dupe van zullen zijn. Het is echt een heel ingrijpende stelselwijziging zoals Rouvoet die voorstelde. Sommige taken kunnen wel overgeheveld worden naar gemeenten, zoals intensieve thuiszorg en trainingen voor ouders. Maar kinderen schieten er niets mee op als alle onderdelen van de jeugdzorg naar gemeenten gaan.’
Ander standpunt
Witteman: ‘Eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat ik er als wethouder in Leiden, waar ik overigens de portefeuille niet in handen had, anders over dacht. Ik had altijd de behoefte om zoveel mogelijk invloed te krijgen om van de stad een betere plek te maken voor iedereen. Dus ook voor jongeren. Van daaruit ontstaat een soort reflex om ja te zeggen tegen elke taak die je erbij krijgt. Ik behoorde tot voor kort bij de groep die vindt dat een gemeente dichter bij gezinnen staat dan de provincie. En daardoor beter kan beoordelen wat een kind nodig heeft. Maar nu ik me als gedeputeerde en als voorzitter van de IPO-commissie flink in de materie verdiept heb in de achtergronden en geschiedenis van de jeugdzorg, viel mij vooral de onoverzichtelijke opeenvolging van structuurwijzigingen op. Daarbij stond - zacht gezegd - het belang van het kind lang niet altijd voorop.’
Baggerman: ‘Veel wethouders van kleinere gemeenten realiseren zich ook nauwelijks wat de impact is die dat op hun functioneren zal hebben. Inwoners kennen je meestal. Je kunt in de supermarkt bijvoorbeeld aangesproken worden door iemand wiens kind uit huis is gehaald. Ik vraag me af of je dat moet willen. Soms is een wat grotere afstand misschien wel beter. Gemeenten moeten sowieso een bepaalde schaal krijgen om het werk aan te kunnen. Heel wat van onze Noord-Hollandse gemeenten zullen moeite hebben om de zorg voor de jeugd aan te kunnen. Je zou het kunnen verdelen over de grotere veiligheidregio’s, maar ook dan moet je het in grote lijnen met elkaar eens kunnen worden over het te voeren beleid.’
Decentralisatie
Witteman: ‘Ik weet vanuit mijn eerdere functie wat het betekent om te maken te krijgen met decentralisatie van taken waartoe je onvoldoende bent toegerust. Niet alleen wat betreft kennis en ervaring, maar vaak krijg je er ook niet voldoende geld bij om die taak uit te kunnen voeren. Dan moet je je als bestuurder in allerlei bochten wringen om het op te pakken. Lukt dat niet, dan wordt vroeg of laat je bestuurskracht ter discussie gesteld. Nu ik geen wethouder maar gedeputeerde ben, kijk ik echter niet alleen naar de wat grotere stad, maar ook naar de belangen van kleinere gemeenten. Ik zie nu in Flevoland pas hoe complex jeugdzorg in elkaar zit en hoe belangrijk het is om voldoende volume te hebben om dit goed te kunnen organiseren. In de huidige situatie heeft mijn provincie trouwens wel de ideale schaal om dit soort werk te kunnen organiseren. Ik durf de stelling aan dat jeugdzorg voor de meeste gemeenten te complex is om zelfstandig uit te voeren.’
Baggerman: ‘De discussie is opgestart omdat men de provincie een oneigenlijke plek vindt. En inderdaad: het is misschien best een ‘rare’ taak, maar we zitten er nu met heel veel betrokkenheid en know how middenin, dus zou het mijns inziens verspilling - op allerlei gebieden - zijn om alles weer te gaan wijzigen. Waar ik ook bang voor ben, is dat de medewerkers in de jeugdzorg, die al zoveel wijzigingen hebben meegemaakt, teleurgesteld raken en vertrekken. Er wordt binnen Bureau Jeugdzorg en de jeugdzorgaanbieder met zoveel passie en kennis en ervaring gewerkt: die mensen wil je toch niet kwijt raken? Zij hebben niet voor niets gekozen voor een baan in de zorg. We voelen ons allemaal verantwoordelijk voor de kinderen.’
‘Daarnaast zie ik welke bijdrage de provincie op dit moment kan leveren aan de jeugdzorg en ik vraag me af hoe dat moet als de verantwoordelijkheid over de gemeenten wordt verdeeld. Zo is in Heerhugowaard deze maand het Transferium geopend, een gesloten jeugdinstelling voor kinderen met een niet-justitiële indicatie. Daar heeft de provincie bijna 10 miljoen ingestoken. Hoe moet dat als de gemeenten verantwoordelijk zijn? Er zijn nog zoveel zaken waar over nagedacht moet worden vóór het eventueel overgeheveld kan worden…’
Witteman: ‘Het mag trouwens niet zo zijn dat de grote steden de jeugdzorgtaak snel gaan binnen halen en daarbij de kleinere regiogemeenten met te weinig volume achterlaten om het nog goed te kunnen organiseren. In een grotere stad beschik je meestal wel over een ambtelijke organisatie die voldoende is toegerust om dat soort complexe taken er bij te doen. Mocht dat niet zo zijn, dan heb je de kracht om dat te organiseren. In mijn eigen provincie zijn dankzij inzet van eigen financiële middelen oude wachtlijsten weggewerkt en ik merk dat veel organisaties waar we mee samenwerken ook op regionaal niveau opereren. Flevoland heeft zich zo ontwikkeld tot een van de beste regio’s van Nederland.’
Over de gemeentegrens
Baggerman: ‘In Noord-Holland hebben sommige gemeenten slechts één of twee jeugdzorgkinderen. Of zelfs geen. Vandaar dat er ook nu al op veel plaatsen regionaal gewerkt wordt, dus gemeentegrensoverschrijdend. Wel vind ik dat de lichtere vormen van jeugdzorg eventueel wel naar gemeenten kunnen worden overgeheveld. We moeten er met elkaar ook naar streven dat kinderen en hun ouders eerder en met lichtere vormen van zorg worden geholpen. Ik ben het er mee eens dat gemeenten hier op een goede wijze invulling aan kunnen geven. Maar daarnaast zullen er altijd situaties blijven bestaan waarin kinderen niet langer thuis kunnen wonen en tijdelijk naar een instelling moeten. We streven er met elkaar naar dat dit zonder wachtlijst kan. De bezuinigingen in de zorg mogen niet leiden tot een toename van de wachtlijsten. Ook al vind ik dat er in Den Haag vaak te overtrokken wordt gereageerd op dat woord. Bij kinderen die daar op worden geplaatst wordt altijd een risico-inschatting gemaakt. Als een kind risico loopt, is er altijd een oplossing. Vaak zou men willen dat kinderen sneller geholpen worden, maar af en toe heeft plaatsing op een wachtlijst ook een positief effect. Zo zijn er situaties bekend waarbij gezinnen intensieve, ambulante thuishulp ontvangen gedurende de tijd dat een kind op de lijst staat voor een uithuisplaatsing. Deze vorm blijkt dan dermate effectief dat de uithuisplaatsing niet door hoeft te gaan. En hier moeten we naar streven met elkaar. Kinderen horen thuis of in een situatie die zoveel mogelijk lijkt op thuis, bijvoorbeeld in een pleeggezin. En alles moet erop gericht zijn om dit te bereiken. De meeste ouders hebben het beste voor met hun kinderen. Alleen hebben sommige wat meer ondersteuning nodig om dat te bereiken.’
Witteman: ‘Er is vanuit Den Haag al aangegeven dat gemeenten hun nieuwe taak in samenwerkingsverbanden moeten gaan onderbrengen. Dan heb je dus alleen bereikt dat er weer een nieuwe hulpstructuur bij komt, met een eigen directeur, een apart gebouw enzovoort. Daar schieten we dus helemaal niets mee op. Ik zie echt niet hoe je efficiënter kan worden wanneer je een taak van twaalf provincies overdraagt aan meer dan 450 samenwerkende gemeenten. Zodat mijn conclusie is: als het echt zo nodig moet, verhuis dan uitsluitend enkele lichte vormen én preventie naar de gemeente, maar de zwaardere vormen zijn in goede handen van de provincie, zeker als dat op de schaal van Flevoland is.’
Eerder signaleren
Baggerman: ‘Gezinnen komen meestal in aanraking met meerdere hulpverleners. Vaak zijn problemen opgelopen totdat ze escaleren. Veel van die situaties zouden voorkomen kunnen worden, als er eerder gesignaleerd wordt. En dan doel ik op consultatiebureaus, huisartsen, scholen. Trek aan de bel, dúrf iets te melden, in het belang van het kind. Of dat nou gaat om verslavingsproblematiek, huiselijk geweld of financiële moeilijkheden. Er hangt nog steeds schaamte omheen, en dat zal echt niet verbeteren als dat op het bordje van gemeenten komt te liggen.’
Het nieuwe kabinet ‘verbrokkelt’ de jeugdzorg
Binnen het nieuwe kabinet zijn de verantwoordelijkheden van het voormalig ministerie van Jeugd en Gezin ‘verbrokkeld’ over diverse bewindslieden. De meeste taken zijn gelegd bij staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner. Zij is belast met de Wmo, de AWBZ en het Integraal Toezicht Jeugd. Ook de gesloten jeugdzorg voor niet-criminele jongeren en de integratie van de indicatiestellingen vallen onder deze staatssecretaris. Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart van OCW gaat over onderwijs en maatschappelijke stages. De verantwoordelijkheid voor de kinderopvang, het kindgebonden budget, de kinderbijslag en de tegemoetkoming voor ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen is in handen van minister Kamp van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Staatssecretaris Teeven is belast met justitieel jeugdbeleid, waar onder meer de Raad van Kinderbescherming bij hoort. Hoe dat allemaal vorm gaat krijgen, hangt sterk af van de sturing die door de ministers en staatssecretarissen gegeven zal worden. Geteld bij de discussie over beperking van de taken van provincies door jeugdzorg grotendeels over te dragen aan gemeenten, kan het bijna niet anders of de onduidelijkheid groeit. Over wie verantwoordelijk wordt voor vrijwillige en gedwongen hulpverlening, over de jeugdreclassering, de jeugd-GGZ en wat te doen met doelgroepen waar die hulpverlening door elkaar loopt? Waarvoor en wanneer komen Centra voor Jeugd en Gezin in beeld en wat blijven de taken van de Bureaus Jeugdzorg?
Marc Witteman, gedeputeerde in Flevoland: ‘Ik hoop dat er in het kabinet oprechte belangstelling bestaat voor kind en gezin en dat men het niet als uitdaging ziet om er in vier jaar tijd een structuurwijziging door te drukken. De dierenbescherming krijgt van dit kabinet meer steun dan de kinderbescherming. Wel 500 ‘animalcops’ aanstellen en op termijn 300 miljoen weghalen bij jeugdzorg. Zoiets is toch niet uit te leggen?’
Zijn collega in Noord-Holland Sascha Baggerman deelt zijn verontwaardiging: ‘Daar bovenop komt ook nog eens dat er aan ouders een eigen bijdrage gevraagd gaat worden. Voor een kind dat uit huis geplaatst wordt kan dat oplopen tot ruim 3000 euro per jaar.’ Beiden: ‘Dat is toch onvoorstelbaar?’