PvdA moet scherper zijn op religie
Nederland kent de scheiding van kerk en staat, al staat dat niet met zoveel woorden in de Grondwet. Maar wil dat ook zeggen dat je je als politieke partij afzijdig moet houden als het gaat om religie, cultuur en levensstijlen? En kan je als gemeente bijvoorbeeld wel subsidie geven aan een jongerenopvanghuis dat wordt gerund door Youth for Christ, een organisatie die het niet zo heeft op praktiserende homo’s? Lokaal Bestuur ging te rade bij Kees Waagmeester, secretaris van het Trefpunt PvdA en Levensovertuiging en bij enkele lokale PvdA-politici.
Het Trefpunt PvdA en Levensovertuiging is ingesteld door het partijbestuur. De werkgroep heeft spreekrecht tijdens partijcongressen en kan ook moties en amendementen indienen. Partijgenoten met verschillende levensbeschouwelijke achtergronden, zoals christenen, humanisten, moslims en hindoes, zijn actief in Trefpunt. Trefpunt volgt ontwikkelingen met betrekking tot levensbeschouwing op de voet. Zo klom men vorig jaar in de pen toen de Amsterdamse PvdA-fractie een VVD-motie steunde die erop neerkwam dat de gemeente voorwaarden zou mogen stellen aan het personeelsbeleid van de organisaties waarmee ze in zee gaat. In contracten met de betreffende organisaties zou opgenomen worden dat zij hun functies niet slechts voor een specifieke groep mogen openstellen.
‘Iedereen weet dat het godsdienstige en levensbeschouwelijke organisaties wettelijk toegestaan is om in hun personeelsbeleid eisen te stellen die met hun grondslag te maken hebben,’aldus Trefpunt-secretaris Kees Waagmeester. ‘Ik juich het toe dat Amsterdam een anti-discriminatiebeleid voert, maar deze motie is onuitvoerbaar omdat het tegen de wet ingaat en het gemeentebestuur zélf discriminerend zou laten handelen. Dat heeft het college toen trouwens ook direct aangegeven.’
Maar ja, neem nu een sterk evangeliserende organisatie als Youth for Christ, die niet alleen in Amsterdam, maar ook in andere steden jongerenactiviteiten voor de gemeente verzorgt: die zijn niet dol op praktiserende homo’s, bijvoorbeeld. Wil je aan een dergelijke organisatie gemeenschapsgeld uitgeven? Actief burgerschap is de bloedsomloop van de samenleving, je kunt niet buiten maatschappelijke organisaties, vindt Waagmeester. ‘Dus als Youth for Christ bepaalde jeugdactiviteiten voor een gemeente wil verzorgen, prima. Maar als overheid subsidieer je nooit de godsdienstige activiteiten van zo’n club. Wat je subsidieert zijn bepaalde activiteiten die deze organisatie toevallig kan verzorgen. Er is in Nederland immers scheiding van kerk en staat.’
Pluriformiteit
Maar ‘scheiding van kerk en staat’ betekent in Nederland volgens Waagmeester níet dat de overheid, die neutraal is, ook ‘onverschillig’ is: ‘Wij hebben, als een van de weinige landen, een geweldige traditie van pluriformiteit, juist in het publieke domein. De overheid schept voorwaarden voor maatschappelijke veelvormigheid op godsdienstig en levensbeschouwelijk gebied. Dit betekent bijvoorbeeld financiering van scholen die zijn opgericht op basis van levensovertuiging of onderwijskundige aanpak en financiering van verzorgingshuizen op godsdienstige of humanistische grondslag.’
En natuurlijk praat de overheid met allerlei maatschappelijke organisaties en dus ook levensbeschouwelijke instellingen, benadrukt Waagmeester: ‘Je kunt als overheid ook niet buiten die maatschappelijke krachten, je wilt actief burgerschap juist stimuleren. De spelregels zijn duidelijk: de overheid bemoeit zich nooit met wat mensen geloven en gaat er trouwens ook niet over of dat alleen maar in de privé-sfeer mag. En kerken bemoeien zich niet met de inrichting van de overheid. Maar godsdienstige organisaties mogen, net als elke andere maatschappelijke organisatie, natuurlijk wel commentaar leveren op overheden.’
Scheiding van kerk en staat betekent evenmin scheiding van geloof en politiek, aldus Waagmeester: ‘Een politieke partij is ook een waardegemeenschap en mag dus best kritiek hebben op godsdienstige instellingen. Ik vind het prima dat Lilianne Ploumen als partijvoorzitter mensen opriep om naar de mis te gaan uit protest tegen homodiscriminatie in de rooms-katholieke kerk. De PvdA mag zich op dat gebied veel steviger laten horen. De óverheid gaat er niet over hoe mensen zich in vrijwilligheid organiseren, ook een Rotary, bijvoorbeeld, mag alleen mannen rekruteren. In kerken mogen bepaalde opvattingen heersen, maar vrijheid van godsdienst betekent niet dat je daar als PvdA’er niks van zou mogen vinden.’
Waagmeester vindt het van groot belang dat volksvertegenwoordigers begrijpen wat religie voor mensen kan betekenen. Met name in PvdA-gelederen beseft men niet altijd hoe belangrijk religie voor mensen kan zijn: ‘In de jaren zeventig dachten we dat met de secularisatie een einde aan godsdienst gekomen was. Het blijkt niet waar te zijn: er gaan nog steeds meer mensen naar de kerk dan naar voetbalwedstrijden. De PvdA heeft bovendien veel aanhang in kerken en moskeeën. De grootste groep gelovigen is gematigd, dat lijkt alleen maar anders omdat het kleinere orthodoxe deel altijd meer aandacht krijgt.’
Grondrechten
Intussen, aan de basis, blijkt het voor sommige lokale volksvertegenwoordigers en bestuurders best lastig om hun houding te bepalen als het gaat om het subsidiëren van levensbeschouwelijke instellingen. Wibren van der Burg is ethicus en rechtsfilosoof en hoogleraar rechtsfilosofie en rechtstheorie aan de Erasmus Universiteit. Hij houdt zich bezig met de interactie tussen recht, ethiek en samenleving, waarbij zijn aandacht momenteel vooral uitgaat naar de vragen van de cultureel en religieus diverse samenleving. Van der Burg: ‘In dit soort discussies draait het om vier juridische beginselen: het non-discriminatiebeginsel, de godsdienstvrijheid, de scheiding van kerk en staat en de neutraliteit van de staat. Alleen de vrijheid van godsdienst en het non-discriminatiebeginsel zijn grondrechten. De scheiding van kerk en staat en de neutraliteit van de staat komen in de Grondwet niet voor. Juridisch gezien zijn lokale overheden daarom tamelijk vrij om hun eigen beleid te voeren, als ze die grondrechten maar in acht nemen. In Staphorst mag men dus niet besluiten om organisaties die volgens hen strijdig zijn met Gods Woord subsidie te weigeren. Net als je niet mag beslissen om categorisch niet in zee te gaan met levensbeschouwelijke instellingen.’
Maar als Youth for Christ nu, na een aanbestedingsprocedure, bijvoorbeeld als enige het jongerenwerk verzorgt? Van der Burg: ‘Een monopoliepositie is lastig, vooral vanwege de neutraliteit van de staat. Maar soms ontkom je er niet aan, is bijvoorbeeld het Leger des Heils gewoon de beste partij om daklozenopvang te doen. Uiteraard neem je in je aanbestedingsvoorwaarden op dat de pluriformiteit gewaarborgd dient te blijven. Ook moslimjongeren moeten zich thuis voelen bij Youth for Christ. Je subsidieert een bepaalde activiteit, nóóit een godsdienstige organisatie, dan zou de neutraliteit van de staat in het geding zijn.’
Inclusieve neutraliteit
Die neutraliteit is voor sommigen eigenlijk al in het geding wanneer instellingen als Youth for Christ überhaupt subsidie ontvangen. Van der Burg: ‘Neutraliteit betekent dat de overheid geen enkele godsdienst, levensbeschouwing, cultuur of opvatting over wat goed en waardevol leven is, mag bevoordelen boven andere. Het betekent níet dat de overheid zich ver houdt van religie, cultuur en levensstijlen en geen levensbeschouwelijke organisaties subsidieert. Dat zou zijn wat ik exclusieve neutraliteit noem, daar is identiteit volledig geprivatiseerd, het Franse model van laïcité. In Nederland kennen we de traditie van inclusieve neutraliteit: iedereen kan overal vrijuit zijn religie of cultuur beleven en in politieke discussies mag men ook met levensbeschouwelijke argumenten anderen proberen te overtuigen. Inclusieve neutraliteit is verbonden met het proportionaliteitsbeginsel: de overheid geeft iedere burger evenveel steun voor het beleven van zijn religieuze en culturele identiteit. En steunt dus ook levensbeschouwelijke en culturele organisaties.’
De inclusieve neutraliteit heeft Van der Burgs voorkeur: ‘Daarmee is het ook mogelijk dat de overheid in haar beleid inspeelt op de positieve en negatieve bijdrage die godsdienstige organisaties soms leveren aan de samenleving.’
Een bijzondere vorm van neutraliteit is de compenserende neutraliteit, een soort tijdelijke positieve discriminatie om een structurele achterstandspositie weg te werken. Van der Burg: ‘Als we Friese literatuur niet een beetje subsidiëren, zou deze kansloos zijn. In de jaren zeventig hebben we de subsidie voor het bouwen van kerken afgeschaft. Christenen en joden hebben nu dus godshuizen, maar moslims vallen buiten de boot. Dat zou je kunnen compenseren. Voor compenserende neutraliteit moeten altijd hele goede gronden zijn, je moet het kunnen uitleggen.’
(Voor de liefhebber: de nieuwe burgemeester van Amsterdam, Van der Laan, heeft afstand genomen van de compenserende neutraliteit, waar zijn voorganger Cohen deze onder bepaalde omstandigheden legitiem vond. Op het gebied van inclusieve neutraliteit verschillen de heren niet van mening.)
Controle
Wat zijn de ervaringen in de praktijk? In Rotterdam huurt de gemeente al sinds 2000 Youth for Christ in om een jongerenopvanghuis te runnen. Richard Moti, fractievoorzitter van de PvdA Rotterdam, heeft daar geen enkel probleem mee: ‘We maken gebruik van maatschappelijke organisaties, sommige hebben een algemene achtergrond, andere een godsdienstige. We subsidiëren geen religieuze activiteiten, daar zou ik principiële bezwaren tegen hebben, je kunt niet met gemeenschapsgeld religieuze activiteiten betalen.’
Maar hoe controleer je nou dat Youth for Christ niet tóch zieltjes gaat winnen in dat opvanghuis? Moti: ‘Voor elke organisatie die subsidie krijgt, geldt een algemene subsidiecontrole. Jaarlijks verantwoordt men, mét een accountantsverklaring, of het geld uitgegeven is aan de activiteiten waarvoor het bedoeld is. In Rotterdam hebben we geen enkele aanleiding om bezorgd te zijn: we werken samen met Youth for Christ, maar ook met het Leger des Heils en Humanitas, bijvoorbeeld. Ik vind dat je vooral goed moet kijken naar wat een bepaalde organisatie doet en dat je je niet moet laten leiden door eventuele beelden die er aan kleven. Als ze goed kunnen doen wat jij belangrijk vindt, laat ze dat dan doen.’
‘Als ze goed werk leveren, prima’, vindt ook Egbert de Vries, dagelijks bestuurder van de PvdA in Amsterdam Zuid, ‘Sommige volksvertegenwoordigers of bestuurders laten heel erg hun eigen opvatting meewegen, maar dat is niet de opvatting van de PvdA en evenmin in lijn met de rechtstaat. Als je zegt dat Youth for Christ niet geschikt is, is dat net zo erg als wanneer je zou zeggen dat je altijd christenen moet nemen. Maar er moeten wél spelregels zijn. Voor het uitvoeren van een bepaalde taak kan het nuttig zijn om een bepaalde man-vrouwverhouding te hebben, dus als een bepaalde organisatie personeelsbeleid zou hebben waarbij ze alleen vrouwen aanneemt, wordt dat lastig. En wanneer men geen praktiserende homo’s wil, vind ik dat op het randje. In het jeugdwerk is dat wellicht belangrijk.’
En als Youth for Christ, zoals ook in Amsterdam, feitelijk een monopoliepositie heeft? De Vries: ‘Dat is de consequentie van aanbesteden aan één partij. Een organisatie zou neutraal moeten opereren, wanneer ze daaraan niet blijken te voldoen, is het afgelopen.’
Hoe controleer je dat er niet via de achterdeur wordt geëvangeliseerd? ‘Je spreekt met jongeren, houd op die manier de vinger aan de pols. En organisaties, ook Youth for Christ, waarmee we een relatie aangegaan zijn, hebben altijd het vertrouwen totdat het tegendeel zou blijken.’
Op www.zingeving.net onder Trefpunt PvdA en levensovertuiging staat het recente artikel ‘Uitgangspunten in de spraakverwarring geloof - politiek’.