Krimp is een zaak van ons allemaal
Over vier maanden, op 2 maart 2011, gaan we naar de stembus om de leden van Provinciale Staten te kiezen. Voor Lokaal Bestuur aanleiding om een rondje langs de provincies te maken, waarbij telkens een belangrijk thema centraal staat. Dit keer zijn de noordelijke provincies aan de beurt en gaat het over krimp. Een gesprek met de statenleden Mabel Schalij (Groningen), Henni van Asten (Friesland) en Bert Hemsteede (Drenthe)
Over vijftien jaar heeft ongeveer de helft van alle Nederlandse gemeenten te maken met bevolkingsafname, zo blijkt uit recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Deze krimp is een complex verschijnsel dat met vele beleidsvelden is verweven. Verschillende provincies hebben er nu al duidelijk mee te maken: Zeeland, Limburg en vooral de drie noordelijke provincies Drenthe, Groningen en Friesland. Langzamerhand komt het bewustwordingsproces daar goed op gang. De vraag is: wat nu? En waar liggen provinciale verantwoordelijkheden als het gaat om het zoeken van oplossingen voor vergrijzing en ontgroening van dorp, stad en regio?
Mabel Schalij: ‘Een artikel over krimp? Nou, dan zijn jullie hier aan het goede adres. In delen van Noord- en Oost Groningen vormt krimp door het wegtrekken van veel
- vooral jonge - mensen vanwege gebrek aan werk en perspectief al decennia lang een structureel probleem. Pogingen om hen met nieuwe industriële bedrijvigheid hier te houden, hebben het tij niet gekeerd. En daar komt nu ook de demografische bevolkingsdaling nog eens bij.’
Bert Hemsteede: ‘We hebben het nu wel over ‘krimp’, maar welke krimp bedoelen we daarmee? Als we alleen minder inwoners en kleinere gezinnen bedoelen, met de daarmee gepaard gaande sociale gevolgen, dan ligt die problematiek maar voor een deel en zeker niet in eerste instantie op het provinciale bordje. Dat is wel het geval als het drastisch dalend aantal huishoudens mee gaat spelen, dat heeft namelijk ook duidelijke effecten op ruimtelijk beleid en dan komt de provincie nadrukkelijker in beeld. Cijfers wijzen er op dat in 2025 één op de tien gemeenten te maken krijgt met een dalend aantal huishoudens en de helft van alle gemeenten met bevolkingsdaling. Beide noemen we krimp, maar het is dus niet hetzelfde. Dus waar heb je mee te maken? Dat moet vraag één zijn, voordat je naar oplossingen kan zoeken.’
Henni van Asten: ‘Volgens mij ervaren wij ‘krimp als probleem’ per provincie anders. De situatie in Friesland is een heel andere dan die in Oost-Groningen. Bij ons gaat het om kleinere aantallen. En waar het ene dorp krimpt, groeit het dorp een paar kilometer verderop. Wij hebben veel kleine dorpjes, waar zowel vergrijzing als ontgroening een rol spelen. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat we niet over provinciegrenzen heen moeten kijken. We kunnen van elkaar leren én we hebben elkaar hard nodig.’
Mabel: ‘Dat bleek onder meer tijdens een congres in Limburg, in de periode dat Eberhard van der Laan nog minister was van Wonen, Wijken en Integratie. Hij zag de nationale dimensie van krimp en raadde gemeenten aan om zich zo snel mogelijk met het onderwerp bezig te gaan houden. Er kwamen rijksmiddelen beschikbaar op voorwaarde dat het rijk, de provincies en gemeenten de handen ineen zouden slaan. Een landelijk actieplan volgde snel.’
Fijnmazig
Bert: ‘De aanpak moet vooral fijnmazig zijn. Lettend op bijvoorbeeld het aantal scholen (bij minder kinderen), afnemende mantelzorg (bij minder grote gezinnen) en veranderde behoefte aan mobiliteit (is openbaar vervoer nog wel rendabel?). Dus eerst het probleem definiëren voordat je met oplossingen komt.’
Henni: ‘Bij ons komt daar ook nog bij dat Friesland een sterke gebondenheid kent met het gebied. Jonge mensen willen hier heel graag blijven, maar dat moet wel haalbaar en dus betaalbaar zijn. Ze willen kunnen werken waar ze wonen. Eigenlijk andersom dan in de Randstad: daar wil men wonen waar men werkt.’
Mabel: ‘Al eerder is men in Delfzijl begonnen met het slopen van vooral verouderde sociale woningbouw, in de herstructurering komen daarvoor minder maar wel eigentijdse woningen, naar behoefte, terug.’
Bert: ‘Het woningbestand is maar een onderdeel. Goedkope huizen zijn nu voor een grotere groep bereikbaar; maar de zakkende huizenprijzen vormen voor de verkoper natuurlijk wél een probleem.’
Henni: ‘Daarom is een van de grote vragen ‘hoe kunnen we leegstand en dus verloedering voorkomen?’ In Holwerd, waar erg veel huizen te koop zijn, hebben we nu een pilot lopen waarbij men van prachtige, maar veel te kleine huisjes een hotelaccommodatie wil maken. In Noordwest-Friesland schrijft de gemeente huiseigenaren aan die een woning onbewoond laten verslonzen.’
Onderwijs
Mabel: ‘Dankzij PvdA-bestuurders is in het gebied altijd een goed sociaal- en welzijnsbeleid gevoerd, maar nu moet er wel ingegrepen worden op het gebied van onderwijs en voorzieningen. Alles kan niet meer overal. Met steun van het rijk zijn we in het gebied een onderwijspilot gestart.’
Bert: ‘Ik wil nog een keer benadrukken dat er allereerst moet worden gekeken waar de problemen liggen of nog kómen te liggen. Wat is er nodig? Praat met bewoners. Leg hen uit dat eventuele maatregelen op de lange termijn bekeken moeten worden. Bijvoorbeeld het samengaan van een openbare en een christelijke basisschool. Als dat niet gebeurt, kan het er van komen dat uiteindelijk beíde schooltjes verdwijnen.’
Henni: ‘Precies! Er is bij ons een Friese Nationale Partij die alle kleine schooltjes wil behouden, maar wij - de PvdA - willen vooral kwalitatief goed onderwijs. Er lopen bij ons ook afspraken in de sfeer van ‘als het ene dorp een gymnastiekvereniging heeft, heeft het andere een voetbalclub. Dus niet én-én. Anders zou je elkaars verenigingen leegtrekken. Nu blijft de leefbaarheid goed. Daarom ook mijn oproep: rij niet dwars door de bevolking heen. Laat hen zelf met oplossingen komen. Zoek in de traditie waarin men gewend is te leven.
Mabel: ‘Leefbaarheid is niet afhankelijk van het aantal winkels of scholen. Wel van een plek waar mensen een gemeenschapsgevoel kunnen opbouwen. Voor mensen die afhankelijk zijn van openbaar vervoer ligt er wel een probleem; mobiliteit is dan ook een aandachtspunt.’
Bert: ‘De meeste jongeren willen weer graag terug naar het gebied waar ze zelf zijn opgegroeid. Daar willen ze ook hun kinderen opvoeden. Maar: kunnen ze daar nog wel een baan krijgen? Wonen lukt soms nog wel, maar werken niet.’
Werkgelegenheid
Henni: ‘In Noord-Friesland liggen kansen op het terrein van toerisme en recreatie. Dat is goed voor de werkgelegenheid. Om hoogopgeleide jongeren vast te houden bouwen we kennisinstituten als Wetsus (watertechnologie) en Nij Bosma Zathe (landbouw en energie) verder uit. Je moet aansluiten bij waar je goed in bent als regio.’
Mabel: ‘In Groningen vormt de A7 de ader van de snel groeiende Regio Groningen/Assen, de economische motor van de provincie. Het is wel een aandachtspunt dat groei- en krimpgebieden zo dicht naast elkaar liggen, maar in beide gebieden moet worden geïnvesteerd.’
Bert: ‘Het ene dorp heeft een paar honderd inwoners en het andere een paar duizend.’ (Henni lachend: ‘Dat heet bij ons een stad.’) ‘Hoe kan het dat het ene dorp krimpt en het andere groeit? En vooral: wat kunnen we daar van leren? In het ergste geval moeten we ook durven zeggen ‘voor dat specifieke probleem hebben we geen oplossing.’
Gebiedsregisseur
Henni: ‘We hebben als PvdA het welzijn van mensen hoog in het vaandel, dus durf eens over je eigen schaduw heen te springen als provincie. Laten we toch niet altijd zeggen ‘daar gaan wij niet over’. De provincie is uiteindelijk gebiedsregisseur. En we kunnen als bestuurders in ieder geval wel een visie ontwikkelen. Je kunt innovaties oefenen in bepaalde gebieden. Oude troep opruimen en er iets moois van maken. Naar de wensen van de mensen.’
Mabel: ‘En dat dan met drie overheden tegelijk aanpakken. Van der Laan zei al: heel Nederland deed zijn best toen de grote steden leeg dreigden te lopen. Laat nu de grote steden een steentje bijdragen aan de dreigende krimp van het platteland. In Groningen maken gemeenten samen op regionaal niveau woon- en leefplannen. Inderdaad kun je als provincie ontwikkelingen stimuleren. Daar past ook het idee van de Blauwe Stad in: recreatie en toerisme als nieuwe economische dragers in het gebied, dat blijkt nu heel goed uit te werken.’
Bert: ‘Je bent als provincie een onderdeel van een groter gebied. Wij proberen dan ook als PvdA-Drenthe goed contact te onderhouden met onze fracties in de gemeenteraden. Ook partijgenoten in de Tweede Kamer en Europa worden geraadpleegd. De noordelijke provincies hebben via de NHI (Neue Hanze Interregio) over deze demografische veranderingen onlangs nog overleg gevoerd met Noordwest-Duitsland.’
Henni: ‘Na al die jaren groei en je beleid daarop afstellen, moeten we nu op een andere manier gaan kijken en handelen. Zo is er op de middelbare school op Ameland nu bijvoorbeeld de mogelijkheid om via een internetverbinding met een school in Drachten een vwo-opleiding te doen. En hebben we een pilot op het gebied van thuiszorg: via de tv. Zodat men in ‘eigen dorp’ oud kan worden.’
Gezamenlijk
Bert: ‘De belangrijkste rol van provincies is het proces faciliteren door mensen bij elkaar te brengen. Eventueel kunnen we ook kennis en ondersteuning bieden, maar het is allereerst belangrijk dat de betrokkenen met elkaar in gesprek gaan. Want al is er sprake van een juiste probleemanalyse dan impliceert dat nog niet dat je tot een eenduidige oplossing komt. Bewoners en hun organisaties moeten initiatieven nemen, hun eigen doeleinden benoemen. Samen kijken of die gehaald kunnen worden. En zo ja, van wie - en hoe - er daarbij steun verwacht mag worden.’
Mabel: ‘Denk aan woningcorporaties, makelaars, zorgaanbieders, dorpsverenigingen, betrek die erbij. Een gezamenlijke visie verzacht de pijn en maak vooral gebruik van de creativiteit in de samenleving. Boor die aan.’
Henni: ‘Aan het onderliggende basisgegeven kun je als provincie niets veranderen. Het is nu eenmaal een feit dat krimp door heel Nederland plaatsvindt of nog gaat plaatsvinden. Maar er liggen voldoende mogelijkheden binnen ons bereik om een kwaliteitsslag te maken. Maar dan wel snel graag.’
Bert: ‘Het moeilijke is mijns inziens dat het zulke lange termijnprocessen zijn. Krimp is al lang geleden begonnen. In krimpgebieden ontbreekt het evenwicht. En dan bedoel ik: de balans tussen waarden als leefbaarheid en bevolkingsomvang. Ook omstandigheden als tijd en economie zijn ingrijpend veranderd. Dat moet dus allemaal weer in een goede verhouding tot elkaar komen. Dat vergt een heel andere manier van denken en dat vergt ook tijd. Het gevaar van ‘gemakkelijke’ oplossingen kan op de loer liggen. Een populistische kortetermijnoplossing is er echter niet. Dat neemt niet weg dat we alles in het werk moeten stellen om niet in een negatieve spiraal terecht te komen. Oftewel: zet deze problematiek hoog op de agenda!’
TIEN ACTIEPUNTEN
De drie statenleden zien voor zichzelf de taak om bij de volgende tien punten in actie te komen:
? Intergemeentelijke samenwerking organiseren en enthousiasmeren
? Samenhang tussen verschillende beleidsvelden aanbrengen
? Regionale woon- en werkplannen toetsen aan de specifieke vragen
? In beeld brengen wat de regio zelf kan bekostigen
? Van alle beleidsthema’s een financieel totaalbeeld maken om daarover met medeoverheden te kunnen onderhandelen
? In bestuursovereenkomsten afspraken maken over rol en verantwoordelijkheden
? Mogelijkheden verkennen voor het versterken van de economie, gericht op het behoud van hoger opgeleiden (met name dus onderwijs, arbeidsmarkt, werkgelegenheid, wonen én mobiliteit op elkaar afstemmen)
? Het debat over de gevolgen van krimp initiëren en voeren
? Sturen op het gebied van financieel toezicht en bestuurskracht versterken
? De bevolking mee laten doen en denken en in contact brengen met bestuurders.