Zoeken

Publicaties

Te makkelijk op het raadspluche?

Uit representatief onderzoek van het Centrum voor Lokaal Bestuur blijkt dat 6% van de PvdA-raadsleden via voorkeurstemmen van een onverkiesbare plaats toch gekozen zijn in de gemeenteraad. De uitslag pleit niet per se voor een verhoging van de voorkeurdrempel, de discussie die iedere keer na gemeenteraadsverkiezingen weer de kop op steekt. Uit het onderzoek komt namelijk ook naar voren dat er nog een wereld te winnen is bij de samenstelling van kieslijsten, alvorens ingrijpende voorstellen als verhoging van de voorkeurdrempel voor te stellen.

Jonge en allochtone kandidaten worden blijkens het CLB-onderzoek het meest via voorkeurstemmen alsnog gekozen, maar zijn vaak ook ondervertegenwoordigd op verkiesbare posities op kieslijsten. Afdelingen moeten daarom strategischer en handiger omgaan met het opstellen van kieslijsten. Zorg er als PvdA voor dat de raadsleden een afspiegeling van de samenleving zijn. Zet dus een representatief aantal jongeren, vrouwen en allochtone kandidaten op de lijst, zodat de kiezer niet onderaan de lijst moet zoeken naar een herkenbare kandidaat.
Van de 251 onderzochte fracties hebben er 62 te maken gehad met raadsleden die op een onverkiesbare plaats stonden en na voorkeurstemmen toch zijn gekozen (25% van de fracties). In deze 62 fracties zijn 78 mensen met een voorkeurstem gekozen. Omgerekend naar het totale aantal PvdA-raadsleden (ruim 1400) is dit 6%. De verdeling van voorkeurstemmen naar geslacht is een redelijke representatieve verdeling van alle PvdA-raadsleden, ongeveer eenderde vrouw en tweederde man (tabel 1).

Tabel 1: Overzicht PvdA-raadsleden naar geslacht en voorkeurstem
Man % Vrouw %
Alle PvdA-raadsleden 67% 33%
Voorkeurstem 73% 27%

De verdeling van voorkeurstemmen naar leeftijdscategorie is geen representatieve verdeling van alle PvdA-raadsleden. De categorie ‘voorkeurstemmen < 35 jaar’ is oververtegenwoordigd op basis van de te verwachten verdeling, de beide andere categorieën zijn enigszins ondervertegenwoordigd (tabel 2).

Tabel 2: Overzicht PvdA-raadsleden naar leeftijd en voorkeurstem
< 35 jaar 35-55 jr 55+
Alle PvdA-raadsleden 12% 52% 36%
Voorkeurstem 26% 43% 31%

De verkiezing van allochtone kandidaten wordt vaker met voorkeurstemmen in verband gebracht dan die van autochtone kandidaten. Uit het onderzoek blijkt dat allochtone kandidaten inderdaad vaker dan gemiddeld met voorkeurstemmen worden gekozen. In totaal heeft de PvdA 148 allochtone raadsleden , dat is ongeveer tien procent van het totale aantal raadsleden. Bijna de helft van de onverkiesbare kandidaten die na voorkeurstemmen zijn gekozen, is van allochtone afkomst (45%). (tabel 3)

Tabel 3: Overzicht kenmerken PvdA-raadsleden die met voorkeurstem zijn gekozen
Man Vrouw
Autochtoon                   Allochtoon                   Autochtoon               Allochtoon
< 35 jr 35-55 55+       < 35 jr 35-55 55+       < 35 jr 35-55 55+     < 35 jr 35-55 55+
2,6% 11,5% 23,1%    16,7% 17,9% 1,3%    3,8% 7,7% 6,4%     2,6% 6,4% 0%

Het percentage mannen dat met voorkeurstemmen is gekozen verschilt nauwelijks voor autochtone en allochtone raadsleden, voor beide groepen ligt het rond de 36%. De opbouw van de groepen is wel duidelijk verschillend, vooral oudere autochtone mannen en jongere allochtone mannen worden met voorkeurstemmen gekozen. Bij vrouwen worden tweemaal zo vaak autochtone vrouwen met voorkeur gekozen dan allochtone vrouwen (tabel 4).

Tabel 4: Overzicht PvdA-raadsleden naar provincie en voorkeurstem
                      Dr      Fl      Fr       Gld      Gr      L        N-B      N-H     Ov     Utr      Zl      Z-H
PvdA totaal 4,7% 1,6% 8,1% 13,4% 7,3% 6,4% 11,3% 14,3% 6,6% 5,9% 3,1% 17,3%
Voor-
keurstem    6,4% 2,5% 5,1% 10,3% 10,3% 3,8% 10,3% 10,3% 11,5% 5,1% 1,3% 23,1%

In de provincie Zuid-Holland zijn de meeste voorkeurstemmen gehaald, ruim 23% van het totaal aantal voorkeurstemmen voor PvdA-raadsleden. In verhouding tot het aandeel raadsleden per provincie springen Zuid-Holland en Overijssel er uit. Beide provincies hebben iets meer raadsleden via voorkeurstemmen dan verwacht op basis van het aantal raadsleden per provincie. De verschillen zijn echter klein en op basis van deze cijfers kunnen we niet de conclusie trekken dat in een bepaalde provincie voorkeurstemmen veel vaker voorkomen dan elders in het land.

Maakt de kiesdeler verschil?

De drempel om met voorkeurstemmen in de gemeenteraad te worden verkozen ligt niet in iedere gemeente op hetzelfde percentage. In gemeenten met minder dan negentien raadsleden (minder dan 20.000 inwoners) ligt de voorkeurdrempel op 50% van de kiesdeler, in de grotere gemeenten is 25% van de kiesdeler al genoeg voor een raadszetel.
In 4% van de kleine gemeenten (< 20.000 inwoners) is sprake van een verkiezing op basis van een voorkeurstem. In de grotere gemeenten (> 20.000 inwoners) komt een verkiezing op basis van een voorkeurstem in 34% van de gemeenten voor. Er is dus een significant verschil in het aantal voorkeurstemmen in een kleine gemeente en een grote gemeente (tabel 5).

Tabel 5: Overzicht gemeentegrootte (inwoners)/zetelaantal gemeenteraad en voorkeurstem
< 3.000
/9 3- 6.000 /11 6- 10.000 /13 10- 15.000 /15 15 -20.000 /17 20 -25.000 /19 25- 30.000 /21 30- 35.000 /23 35- 40.000 /25
0% 0% 0% 0% 5% 12,8% 12,8% 9% 6,4%

40- 45.000 /27 45- 50.000
/29 50- 60.000
/31 60- 70.000
/33 70- 80.000
/35 80- 100.000
/37 100- 200.000
/39 200.000
/45
3,8% 7,7% 2,6% 1,3% 9% 10,3% 10,3% 9%

Gecorrigeerd naar het aantal gemeenten per gemeentegrootte valt op dat gemeenteraden met 35 of meer zetels meer PvdA-raadsleden hebben die met voorkeurstemmen zijn gekozen, dan op basis van een ‘nette’ verdeling verwacht zou mogen worden. Gemeenteraden met 15 of 17 zetels (totaal meer dan 100 gemeenten) hebben juist verhoudingsgewijs veel minder raadsleden die met voorkeur zijn gekozen. Deze uitslag is niet heel verrassend, want de PvdA heeft in grote steden relatief meer allochtone en jonge kandidaten op de kieslijst staan. Zoals hierboven al is beschreven, hebben deze groepen kandidaten een grotere kans om met voorkeurstemmen verkozen te worden.

Te lage drempel?

Desgevraagd geeft 48% procent van de ‘grote’ fractievoorzitters aan de voorkeurdrempel van 25% te laag te vinden, tegenover 40% die de drempel niet te laag vindt. 12% heeft geen mening. In de kleinere gemeenten liggen de verhoudingen anders. 23% van de ‘kleine’ fractievoorzitters geeft aan de voorkeurdrempel van 25% te laag te vinden, 32% vindt deze niet te laag en 45% heeft geen mening. Deze laatste grote groep valt goed te verklaren door het feit dat deze fractievoorzitters niet te maken hebben met deze voorkeurdrempel, immers in hun gemeenten is dit vijftig procent. Het grote verschil van mening over de hoogte van de drempel wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de ervaring met raadsleden in grote gemeenten die via deze weg zijn gekozen.
De inhoudelijke argumenten voor en tegen verhoging verschillen niet per groep. De meest genoemde argumenten voor verhoging van de voorkeurdrempel zijn dat het anders makkelijker is een zorgvuldig samengestelde lijst in de war te gooien, een lage drempel zou cliëntelisme en populisme in de hand werken, en hoe lager de plek op de lijst is, hoe lager ook de kwaliteit. Argumenten tegen verhoging: 50% zal in de grotere steden moeilijk haalbaar zijn, het is democratischer (makkelijkere representatieve vertegenwoordiging), deze mensen zijn blijkbaar herkenbaarder en worden bewust gekozen (is per definitie een goede keuze) in plaats van dat men automatisch op de lijsttrekker stemt.

Advies CLB

Het fenomeen voorkeurstemmen kan niet worden gereduceerd tot het hebben van een grote persoonlijke achterban of het voeren van een persoonlijke verkiezingscampagne. De eerste vrouw op de lijst krijgt vaak na de lijsttrekker de meeste stemmen. En als er slechts één allochtone kandidaat op de lijst staat, ongeacht de positie, dan krijgt hij/zij ook vaak veel stemmen.
Voor de samenstelling van de lijst moet kwaliteit altijd het uitgangspunt zijn. Maar als iedereen uit de top tien een goede beoordeling krijgt, denk dan als kandidaatstellingscommissie eens goed na welke mechanismen kunnen gaan spelen bij het maken van de keuze in het stemhokje. Schat als commissie in hoeveel zetels de PvdA kan behalen en formeer op deze plekken een divers team, op alle fronten (man-vrouw, jong-oud, autochtoon-allochtoon, bekend-onbekend). Uit de antwoorden blijkt namelijk dat er nog een wereld te winnen in qua samenstelling van kieslijsten. Door dit te doen zijn ingrijpende voorstellen als verhoging van de voorkeurdrempel overbodig. Als er handiger en strategischer met kieslijsten wordt omgegaan, dan zullen er naar verwachting minder mensen met een voorkeurstem van een onverkiesbare plaats alsnog worden gekozen.
Op tijd beginnen met scouten van geschikte kandidaten maakt het voor de kandidaatstellingscommissie ook alleen maar makkelijker om tot een goede lijst te komen. Zo kan je wellicht voorkomen dat lagergeplaatsten de samenstelling van het beoogde team doorbreken. Als de fractie onverhoopt toch een andere samenstelling krijgt, dan hoeft dit natuurlijk niet per se tot ellende te leiden. Teambuilding zal dan iets meer aandacht moeten krijgen. Dit advies is huiswerk voor alle leden van kandidaatstellingscommissies, samen met het advies van het CLB aan het partijbestuur over een eventueel vervolg van het rapport van de commissie Pattje over wethoudersbenoemingen .

Verantwoording onderzoek

Het fenomeen ‘voorkeurstemmen’ is door het CLB gedurende de zomermaanden onderzocht door middel van een enquête onder alle fractievoorzitters in gemeenten waar eind 2009 en begin 2010 gemeenteraadsverkiezingen hebben plaatsgevonden. Deelgemeenten en deelraden zijn buiten beschouwing gelaten. In totaal zijn 381 fractievoorzitters aangeschreven, 251 hebben de enquête ingevuld. De respons was 66% (tabel 6 en 7).
Het gaat ons in dit onderzoek alleen om kandidaten die op basis van de verkiezingsuitslag op een onverkiesbare plaats stonden, maar door voorkeurstemmen minimaal een kwart/de helft van de kiesdeler haalden en daardoor met voorrang in de raad kwamen.

Tabel 6: Respons per provincie
Dr      Fl        Fr     Gld    Gr    L       N-B   N-H  Ov    Utr     Zl      Z-H
83% 100% 60% 69% 82% 53% 67% 60% 71% 62% 62% 69%

Tabel 7: Respons per gemeentegrootte (inwoners)/zetelaantal gemeenteraad
< 3.000
/9 3- 6.000 /11 6- 10.000 /13 10- 15.000 /15 15 -20.000 /17 20 -25.000 /19 25- 30.000 /21 30- 35.000 /23 35- 40.000 /25
0% 100% 52% 58% 65% 55% 76% 73% 86%

40- 45.000 /27 45- 50.000
/29 50- 60.000
/31 60- 70.000
/33 70- 80.000
/35 80- 100.000
/37 100- 200.000
/39 200.000
/45
47% 75% 55% 50% 70% 70% 90% 100%

Uit publicatie
Lokaal Bestuur, Jaargang 34 nr. 11
november 2010

Auteur
Margriet Visser