Deze website gebruikt cookies

Voor een volledige werking van de website worden cookies op uw computer gezet.
Daarnaast worden cookies geplaatst voor het bijhouden van bezoekersgedrag binnen Google Analytics, de werking van social media knoppen en reactiemogelijkheiden op blogberichten.
Wil je meer informatie over hoe www.lokaalbestuur.nl om gaat met uw privacy en welke cookies worden opgeslagen, lees dan ons cookiebeleid.

Inloggen mijn CLB

Van Waarde in de provincie

Jurjen Sietsema

Heeft de provincie als bestuurslaag nog toegevoegde waarde of kan hij beter worden opgeheven? Welke rol kan de provincie spelen bij de grote thema’s van vandaag? En vooral, wat drijft de mensen in de provincie? In onze serie rondetafelgesprekken deze keer een discussie tussen gedeputeerden Erik van Merriënboer (Noord-Brabant) en Ben de Reu (Zeeland), Statenleden Gert Engelkens (Groningen), Aukelien Jellema (Noord-Holland) en Jacqueline Kalk van het CLB.

De aftrap van dit gesprek is voor Erik. Wat motiveerde hem om voor de provincie te kiezen?

‘Ik ben een tijdlang lokaal actief geweest en was wethouder in Eindhoven. Ik heb altijd gezegd dat ik nooit op provincieniveau wilde werken. Dat vond ik “de vermolmde etage van Thorbecke”maar op een gegeven moment kreeg het bestuursakkoord Vertrouwen in Brabant van Commissaris van de Koning Wim van de Donk onder ogen. Daarin las ik dat de provincie zich eigenlijk bekende tot de stadsprovincie die wij ooit in Eindhoven hadden bedacht. Een provincie die niet alleen de voorwaarden schept als een soort middenbestuur, maar die een aantal maatschappelijke opgaven identificeert en die de wil heeft om daar waarde aan toe te voegen. Inmiddels vind ik het regionale niveau een fantastisch schaalniveau als het gaat om grote thema’s zoals innovatie en energietransitie. Ook als je kijkt naar wat er in Europa gebeurt. Het provinciale niveau kan heel betekenisvol zijn, maar vraagt tegelijkertijd wel om een andere manier van denken. Op dit moment zie ik nog niet alle provincies daarin overtuigend acteren. Er is teveel behoudzucht en terughoudendheid, terwijl een open houding voor bepaalde maatschappelijke vraagstukken enorm belangrijk is.’

Jacqueline: ‘Welke maatschappelijke vraagstukken?’

Erik: ‘Energie bijvoorbeeld. Windmolens. De burger begrijpt daar soms niets meer van. Boven de 100 megawatt is het Rijk verantwoordelijk, maar kan die verantwoordelijkheid, waar het gaat om de discussie met de burger en de meerwaarde voor gemeenschappen, niet eens waarmaken. In dat samenspel zie ik een rol voor de provincie om samen met de gemeenten en andere partijen waarde toe te voegen. Een provincie wordt geschraagd door zijn gemeenten.’

Ben: ‘Ik denk dat er een groot verschil is tussen provincies. Als je in Zuid-Holland vraagt wie de Commisaris van de Koning is dan weten maar weinig mensen dat terwijl ze de naam van de burgemeester van Rotterdam zo kunnen noemen. In Zeeland, Limburg of Friesland is dat anders. Mensen daar voelen zich Zeeuw, Limburger of Fries en het sentiment is: “Je moet mijn provincie niet afpakken.” Als ik kijk naar de energietransities dan kan Henk Kamp wel een taakstelling hebben over het aantal windmolens, maar zonder de provincie is hij nergens. Wij gaan met gemeenten, bedrijven en coöperaties aan tafel. Onderhandelen en oplossingen zoeken. Dat duurt lang, maar ik vind het wel typisch iets voor de provincie. Ik ben ook begonnen in het lokale bestuur. Daar ging het toch wel erg vaak over stoeptegels. De provincie is een waardevolle aanvulling op het lokale bestuur.’

Jacqueline: ‘Wat motiveert jou? Waar ga jij voor?’

Ben: ‘Claudia de Breij zingt in een liedje over een kleinkind dat leeft in een wereld waarin van alles niet goed is en aan haar opa vraagt, wat heb je eraan gedaan? Als mij dat overkomt, wil ik daar een antwoord op hebben. Als je kijkt naar energietransities houdt dat in, dat we naar een veel meer circulaire regionale economie moeten. Dus niet aan jan-enalleman opstartvouchers geven, maar gericht investeren in starters die passen in de circulaire economie. Dat soort keuzes moeten we maken. Als PvdA zeggen we: “Dat vinden we belangrijk en anders doen we niet mee.”’

Jacqueline: ‘En Aukelien, wat was jouw drijfveer om naar de provincie te gaan?’

Aukelien: ‘Ik zat in de raad in Den Helder. Bij de laatste verkiezingen zijn we gehalveerd en viel ik erbuiten. Toch had ik al eens eerder aangegeven dat de provincie voor mij een hele mooie stap zou zijn. Voor mij is het een verdieping. Ik heb pas heel laat gesolliciteerd maar kwam, tot mijn eigen verbazing, op plaats 4 op de lijst. Mijn hele brief was doordrenkt van dat de kop van Noord-Holland, Texel ook, maar eens wat beter vertegenwoordigd zou moeten worden in Haarlem. De provincie Noord-Holland is een beetje, Amsterdam…en de rest.’

In het lokaal bestuur gaat het toch wel erg vaak over stoeptegels

Jacqueline: ‘Maar wat is nu je drijfveer?’

Aukelien: ‘Die verdieping dus. Voor de rest is het eigenlijk toch allemaal een beetje “per ongeluk” gekomen.’

Gert: ‘Bij mij ook. Ik was fractievoorzitter en lijsttrekker in de gemeente Oldambt (Winschoten en omgeving, red.). Er kwam een nieuwe fractie met nieuwe mensen en ik was, zeg maar, de ervaren man die de nieuwe fractie zou leiden. Ongeveer een week voor de verkiezingen werd ik er door iemand uit Oost-Groningen op gewezen dat het toch wel mooi zou zijn als er iemand uit die hoek hoog op de lijst voor de provincie zou komen. Ik heb best lang getwijfeld en gedacht, is dit geen verraad aan mijn fractie? Uiteindelijk heb ik het met niemand gedeeld dat ik een gesprek had bij de commissie. Best gek eigenlijk. Uiteindelijk net niet gekozen, maar toen William Moorlag uit de Staten stapte merkte ik dat mensen mij die stap wel gunden en ben ik Statenlid geworden. Groningen is een krimpgebied met veel werkloosheid en de provincie speelt een grote rol in wat er wel en niet gebeurt. Ik heb deze dingen in mijn portefeuille en wil me er echt voor inzetten om als provincie het verschil te maken.'

Erik: ‘Ik woon in Eindhoven en word enorm gemotiveerd door het verschil dat je kunt maken. Met een regionaal netwerk kan je een crisis echt bij de kladden grijpen. Dan denk ik bijvoorbeeld aan Organon in Oss en Philip Morris in Bergen op Zoom. Op het moment dat er echt snel en adequaat gehandeld moest worden, was het mooi om te zien dat juist de provincie organiserend vermogen liet zien.’

Jacqueline: ‘Nu we het toch over crises hebben, is het misschien een idee een uitstapje naar het gasgebied te maken. Jullie hebben natuurlijk een megacrisis op dit moment, maar ik heb niet het idee dat de provincie echt handelend optreedt.’

Gert: ‘Dat is logisch, omdat we niet over de gaswinning gaan. Je kunt als provincie, partij of belanghebbende over alles je zienswijze hebben, maar uiteindelijk bepaalt de minister. Toch proberen we als partij en als Provinciale Staten de boel wel in een bepaalde richting te sturen.’

Ben: ‘Maar het beeld was toch: “Wij Groningers pikken dat niet langer!” Was het niet Max van den Berg die dat duidelijk over het voetlicht heeft gebracht?’

Gert: ‘Hij was inderdaad ons boegbeeld en ook bekend in het hele land als commissaris van de Koning. Hij ging naar Den Haag en werd daar gek aangekeken toen hij zei dat hij zoveel miljard wilde voor de aardbevingschade.’

Erik: ‘Historisch gezien is dat een trendbreuk. Het gaat allemaal niet snel genoeg, maar toch.’

Aukelien: ‘Maar was dat genoeg? Had hij jullie echt in zijn kielzog? Want er is natuurlijk ook dualisme in de Staten.’

Gert: ‘Dat is misschien het mooie van dit dossier, dat we gezamenlijk ons best doen om zoveel mogelijk met één zienswijze te komen. Dat we samen naar buiten treden en elkaar niet beconcurreren. Natuurlijk zijn er verschillen. Daarover wordt gepraat binnen de Statenzaal, maar naar buiten toe willen we op dit dossier één gezicht laten zien. Daar waar we over andere onderwerpen van mening verschillen, hebben we hier één doel en dat is de veiligheid van onze inwoners.’

rondetafelgesprek 2

Jacqueline: ‘In Groningen staan de neuzen dus dezelfde kant op, maar hoe zit dat in de andere provincies?’

Ben: ‘Het is in Zeeland heel lang zo geweest dat ieder eiland zijn eigen Statenlid moest hebben. Met name Zeeuws-Vlaanderen voelde zich altijd achtergesteld. Je hoort vaak: “Het is altijd Middelburg.” En dat is misschien ook wel zo. Drie van de vier gedeputeerden wonen tenslotte op Walcheren. Toeval, maar toch.’

Aukelien: ‘Voor de binding met je achterban is het heel prettig als je mensen uit de verschillende delen van de provincie hebt. Wij hebben mensen uit Het Gooi, uit de kop van Noord-Holland, uit de kustgebieden. Dat werkt heel goed.’

Erik: ‘Bij ons zag je dan weer dat er lange tijd nauwelijks vertegenwoordiging was uit de echt grote steden. Dat is veranderd
en wat mij betreft een erkenning van het belang van de rol van de provincie. In de structuurvisie stond zelfs dat de provincie over het platteland ging. In de steden deden ze niets. Die agenda is veel meer bij elkaar gekomen. De provincie heeft daardoor voor de steden veel meer relevantie gekregen.’

Jacqueline: ‘Maar wat is dan de toegevoegde waarde?’

Erik: ‘Jarenlang was ruimtelijke ordening de belangrijkste portefeuille. Zeker in Brabant. Met name de omgang met de Q-koorts en de intensieve veehouderij is de provincie negatief aangerekend door de bevolking. Dat heeft de provincie denk ik goed wakker geschud. Recent zie je dat regionale economie een thema aan het worden is en niet alleen in Brabant. De PvdA is bij ons de kleinste coalitiepartner en toch heb ik ruimtelijke ordening in mijn portefeuille. Dat zou vroeger ondenkbaar zijn geweest.’

Ben: ‘In de jaren vijftig zijn het de provinciebestuurders geweest die van Zeeland meer een industrieel landsdeel hebben gemaakt dan de landbouwprovincie die het voor die tijd was. Er kwam een kerncentrale (Borssele), een aluminiumsmelter en veel chemische industrie, met name rond het kanaal van Gent naar Terneuzen. Inmiddels is dat verouderd.

Bij de gascrisis hebben alle partijen samen een blok tegen Kamp gevormd

Vanaf 2011 was er sprake van massa-ontslagen. Ik heb toen kunnen realiseren dat er, met een forse subsidie uit Brussel, een mobiliteitscentrum kwam zodat de ontslagen werknemers gericht naar ander werk konden worden geleid. Dat is bijna voor 100% gelukt, in drie jaar tijd. Kijk, dan speel je als provincie echt een rol.’

Jacqueline: ‘Was dat zonder de provincie niet gelukt?’

Ben: ‘Nee, dat was niet gelukt. Welke gemeente had dat gekund? Het zijn allemaal kleine gemeenten waar het lokale bestuur gedomineerd wordt door lokale partijen. Een iets andere laag dan het provinciebestuur.’

Jacqueline: ‘Eigenlijk zeg je dus dat bij je dat soort crises werkt aan de bestaanszekerheid van je inwoners. Je geeft dus direct invulling aan de waarden uit Van waarde.’

Ben: ‘Dat klopt. Dat heeft ertoe geleid dat er een transitie naar een circulaire economie is ontstaan. In goed Zeeuws: “No waste”. De grote chemiereuzen zijn bij mij geweest en hebben gezegd: “Wij moeten aan kostenreductie doen en dat kunnen wij doen door wat de één over heeft aan de ander te leveren.” Als iemand waterstof overheeft en zijn buurman heeft dat nodig als grondstof, dan leveren zij dat aan elkaar via een inmiddels aangelegde pijplijn. Op die manier hoeft het niet met vrachtwagens heen en weer gebracht te worden en is er vanwege dat rondpompen geen verspilling meer. En zo zijn er meer voorbeelden.’

Jacqueline: ‘Gert, speelt dat bij jullie ook, dat de provincie zo’n dominante rol speelt bij het veiligstellen van de bestaanszekerheid van inwoners?’

Gert: ‘Op het gebied van werkgelegenheid zeker. Er werken in Oost-Groningen relatief veel mensen in de werkvoorzieningsschappen. Het zijn daar de grootste werkgevers. Historisch gezien is dat zo gegroeid, omdat er in de loop van de jaren veel grote fabrieken zijn gesloten en ook in de landbouw verloren veel mensen hun baan. Vanuit de Participatiewet is het de bedoeling dat al deze mensen weer een reguliere baan krijgen. Alleen, werkgelegenheid ligt in Oost-Groningen niet voor het oprapen. Toen ik nog in de gemeenteraad zat, werd begonnen met wat later het Pact van Westerlee zou gaan heten. De vraag om meer geld uit Den Haag voor de bestrijding van de werkloosheid. Dat is uiteindelijk voor de provincie prioriteit geworden. Het blijft heel spannend of het allemaal doorgaat, maar het initiatief ligt bij de Provinciale Staten. Iedereen doet zijn best in zijn eigen gemeente, maar uiteindelijk is het belangrijk dat er iemand boven gaat staan en zegt: “Beconcurreer elkaar niet, jullie zijn één regio en jullie hebben allemaal last van dezelfde problematiek. Dat kan alleen de provincie.”’

Aukelien: ‘Ten aanzien van de provincie zou ik willen zeggen: “You don’t know what you got until it’s gone.”’

 

Bijschrift afbeelding 1: Ben de Reu aan het woord. Verder op de foto, v.l.n.r.: Jacqueline Kalk, Ben de Reu, Gert Engelkens, Aukelien Jellema en Erik van Merriënboer  

Afbeeldingen: Henri Blommers

 

 

 

Uit publicatie Lokaal Bestuur, Jaargang 40 nr. 3 November 2016
Reageer

Gerelateerde artikelen:

Harriët van Domselaar

Samenwerken binnen de rode familie

Lees artikel

Leonie Wildeman

Jong Talent: Dominique de Haas (21)

Lees artikel

Jurjen Sietsema

Lokaal begint de wederopstanding

Lees artikel