Deze website gebruikt cookies

Voor een volledige werking van de website worden cookies op uw computer gezet.
Daarnaast worden cookies geplaatst voor het bijhouden van bezoekersgedrag binnen Google Analytics, de werking van social media knoppen en reactiemogelijkheiden op blogberichten.
Wil je meer informatie over hoe www.lokaalbestuur.nl om gaat met uw privacy en welke cookies worden opgeslagen, lees dan ons cookiebeleid.

Inloggen mijn CLB

Sober, sociaal en stimulerend

Joop van den Berg

Afdelingsbesturen, raadsleden en wethouders in het hele land lopen zich warm voor de komende gemeenteraadsverkiezingen. Die lokale verkiezingen zijn van groot belang. Steeds meer wordt immers op lokaal niveau beslist over belangrijke zaken. Denk maar aan de Wmo, waarbij nieuwe bevoegdheden zijn overgeheveld naar de gemeente. Hoe zien de nieuwe taken en verantwoordelijkheden van de gemeente er anno 2010 uit, en waar zou voor de sociaaldemocratische bestuurders en volksvertegenwoordigers de nadruk op moeten liggen? Joop van den Berg hield daarover onlangs een inleiding voor de PvdA-afdeling Alphen aan den Rijn. Een verkorte versie van zijn verhaal.

  1. ‘Democratisch gemeentebeheer’ 
    Voor de sociaaldemocratie - waartoe ik behalve de PvdA ook haar belangrijkste erflater, de SDAP reken - geldt dat het gemeentebestuur zijn eigen vitale betekenis heeft voor denken en handelen van de beweging. De sociaaldemocratie heeft het besturen geleerd in de gemeente, vooral in de stad. Zij heeft daar bovendien een kracht ontwikkeld en getoond, die haar optreden maatgevend heeft gemaakt voor goed lokaal bestuur in het algemeen. Dat is trouwens een internationaal verschijnsel. Hoe een actief en effectief stedelijk bestuur moest worden ingericht, is in veel landen van Europa door sociaaldemocraten bepaald, die er als het ware de architectuur voor hebben geleverd. De Nederlandse sociaaldemocratie heeft zelf wel eens moeite haar historische invloed in het stadsbestuur onder ogen te zien. Want, er was eerst de praktische ervaring en vervolgens de ideologische verwerking ervan, in plaats van andersom, al willen de partijintellectuelen dat liever niet weten. Sterker nog: er is historisch bewijs voor de stelling dat de nationale successen, vooral die van na 1945, grotendeels zijn gebaseerd op de ervaringen in het stadsbestuur van vóór 1940. De ‘verzorgingsstaat’ (ik spreek liever van sociale rechtsstaat) is in zijn essentie in het vooroorlogse stedelijk bestuur ontwikkeld. Omgekeerd betekent dit, dat de sociaaldemocratie zal opdrogen en aan relevantie zal verliezen, als zij haar beslissende plek in het stedelijk bestuur zou prijsgeven. Onze partij moet dus uiterst zuinig zijn op haar talent en ervaring in de steden. Als wij hier niet laten zien wat wij waard zijn, waar wij vanouds vertrouwen genieten, dan raken wij op den duur onze geloofwaardigheid als nationale en Europese partij onvermijdelijk kwijt. Het zijn mannen als P.L. Tak, F.M. Wibaut, W. Drees en anderen geweest die de weg hebben gezocht en vervolgens gewezen in het stedelijke bestuur; die overigens zelf weer hebben geleerd van links-liberale leermeesters. Wibaut heeft er als het ware de doctrine voor geleverd door zijn pleidooi voor ‘democratisch gemeentebeheer’. In de gemeente, zo zegt hij in zijn memoires, valt niet het socialisme te vestigen, daarvoor is het de verkeerde plek. In de gemeente dienen alle democratische krachten samen te werken ter voldoening in voorzieningen die van hoge kwaliteit zijn en voor eenieder toegankelijk. De sociaaldemocratie is er in de stad niet alleen voor een goede armenzorg, maar juist om de bevolking daarvan naar vermogen te bevrijden. Zoals Drees het later zou zeggen: arbeid is de beste sociale zekerheid. De sociaaldemocratie is er in de stad niet alleen voor de sociale woningbouw, zij is er voor een stadsontwikkeling waarin sociale woningbouw is ingepast in een brede bouwpolitiek die elites en minder gefortuneerde inwoners integreert. De stad is naar haar aard een pluriforme samenleving, die dat ook moet blijven wil zij haar vitaliteit bewaren. Dus moet de sociaaldemocratie zich niet alleen op de wensen van de economisch zwakke groepen in de bevolking richten, maar in haar beleid sterk en zwak bij elkaar houden en dus ook beide bedienen. Cohens ‘de boel bij elkaar houden’ (geleend overigens van Joop den Uyl) is niets anders dan de huidige formulering van Wibauts oude wijsheid uit de jaren twintig. Het is wel iets anders dan links populisme, dat elke voorziening voor armere inwoners belangrijker vindt dan goed geoutilleerde culturele faciliteiten. Het is ook iets anders dan een politiek die het jegens minder sterke medebewoners moet hebben van caritas. Het is een veeleisende politiek die voortdurend opnieuw moet worden ingezet tegen dreigende of reële achteruitgang in de stad, bij voorbeeld door massale, slecht geregisseerde immigratie of door even massale, ongeleide suburbanisatie. Het houdt dus nooit op. Het gaat om een politiek die wordt gekenmerkt door soberheid, door haar sociale karakter maar ook door haar vermogen inwoners te stimuleren; door hen, met andere woorden, te beschermen maar ook machtig te maken.

  2. Sobere politiek
    De sociaaldemocratie - de Nederlandse in het bijzonder - heeft een traditie van soberheid in gedrag en houding van haar vertegenwoordigers, maar ook in haar gemeentelijk beleid. Dat is niet hetzelfde als schrielheid of kaalheid: ook sociaaldemocraten mogen gastvrij zijn en mogen feestvieren. Als het gaat om de opbouw en inrichting van openbare voorzieningen betekent dat hoge kwaliteitseisen enerzijds en algemene toegankelijkheid anderzijds. Wibaut zou zeggen: als die twee maatstaven kosten met zich brengen, dan moeten de bijbehorende lasten zonder vrees bij de bevolking, die er tenslotte van profiteert, worden geheven. Solide financiering betekent niet bij voorbaat het vermijden van hoge kosten. Daarnaast is er het besef, meer ontleend aan de pleidooien van W. Drees: belastingen zullen altijd in onevenredige mate moeten worden opgebracht door de lage inkomensklassen. Dat betekent dus uiterste zuinigheid in de omgang met gemeenschapsmiddelen. Bij de overheid hoort geen nodeloze luxe. Sobere politiek betekent ook zo groot mogelijke zuinigheid in de aanwending van natuurlijke hulpbronnen en energie. Die soberheid is een zaak van individuele burgers en van alle overheden, de lokale niet minder dan de nationale of Europese overheid. Soberheid in optreden begint bij ons eigen gedrag als sociaaldemocratische voorgangers en volgelingen. Sterker nog, wij worden daar meer op aangekeken dan vertegenwoordigers van andere politieke stromingen. Daargelaten of dat billijk is of niet, persoonlijk ben ik daar eigenlijk wel trots op. Al brengt het ook verplichtingen met zich en is het ontegenzeglijk ook wel eens lastig. Het vraagt om terughoudendheid in declareergedrag en in salariseisen van publieke ambtsdragers en van beroepsbeoefenaren wier inkomen van gemeenschapsmiddelen afhankelijk is. Of daarbij het inkomen van een politicus, de premier, maatgevend moet zijn, betwijfel ik persoonlijk. Ambtenaren en andere publieke managers behoren niet zonder meer beneden het niveau te worden betaald van politieke ambtsdragers. Dat in een sobere constellatie publiek gefinancierde inkomens nooit helemaal het marktniveau kunnen halen, ook niet hoeven halen, staat echter eveneens vast. Sociaaldemocraten mogen en moeten elkaar daarop aanspreken, liefst voordat anderen dat doen. Ik zie overigens niet in wat een formeel afgekondigde ‘erecode’ daaraan toe of af kan doen. Wie die klassieke soberheid niet in de genen heeft, noch daarop in vriendschap wil worden aangesproken, is met een erecode niet geholpen. Als er ‘erecodes’ zijn, zitten ze ‘tussen de oren’; aan papieren codes geloof ik niet. Zelfs niet als de Gemeentewet ertoe verplicht.

  3. Sociale politiek
    De rol van het stedelijk bestuur in de sociale politiek is niet meer van de omvang die zij had ten tijde van de wethouders Wibaut en Drees. Veel is na 1945 in nationale wettelijke hand terechtgekomen en in min of meer zelfstandige nationale uitvoeringsorganisaties. Dat betekent overigens niet dat die rol tot nul is gereduceerd; in recente jaren wordt zij weer groter, onder andere dankzij de Wet werk en bijstand (Wwb) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en delen van de onderwijswetgeving. Daarbij doet zich overigens een nogal lelijk probleem voor, dat ten dele op nationaal politiek niveau is geschapen (op zijn minst gestimuleerd) en dat goed gemeentelijk beleid, zelfs in grote steden, ernstig bemoeilijkt. Ik doel op de enorme schaalvergroting in de sociale huisvesting, in het onderwijs en in de gezondheidszorg. Het is voorts nogal wrang te constateren dat gemeentelijke bestuurders onder allerlei vormen van controle en toezicht staan (echt niet alleen van de raad) en met ik-weet-nietwie allemaal overleg moeten voeren, voordat er iets van de grond te krijgen valt, maar dat het dagelijks toezicht op al deze grootschalige instituties zowel beperkt als relatief oppervlakkig is en overleg ermee afhankelijk van hun bereidheid daartoe. Dat, terwijl er toch wordt gewerkt met publiek geld, ons geld dus. Met alle respect voor bestuurders van woningcorporaties, ziekenhuizen en onderwijsinstellingen die hun werk goed doen en tot volwassen communicatie bereid blijken, hier is ten koste van zelfstandig en democratisch gemeentebestuur sprake van een scheefgroei, waarvan Wibaut noch Drees in hun ergste nachtmerries niet hadden kunnen dromen. Zulke scheefgroei bemoeilijkt ook een adequaat integratiebeleid, in feite de belangrijkste ‘sociale quaestie’ waarmee wij in het begin van de 21ste eeuw als sociaaldemocraten worden geconfronteerd. Op ons rust daarbij een centrale verantwoordelijkheid. Onze aanhang is ooit gevormd in buurten, waar de bevolking economisch en sociaal kwetsbaar was. Die is vervolgens in onevenredige mate in zijn dagelijks leven geconfronteerd met massale immigratie en heel gebrekkige integratie daarna. De daaruit voortkomende problemen en wrijvingen hebben wij onderschat. Vooral de effecten van gezinsvorming en gezinshereniging, die overigens niemand heeft voorzien, blijken diep te hebben ingegrepen in migrantengemeenschappen zelf maar ook in de communicatie tussen migranten en oorspronkelijke wijkbewoners. Wij zullen er hard aan moeten werken om deze problemen zowel onder ogen te zien als aan te pakken: samen met autochtone en allochtone bewoners van onze steden. Het zou intussen helpen als op het Binnenhof werd beseft dat integratie van migranten een zaak is van het gemeentelijke bestuur, dat nationaal kan worden gefaciliteerd maar ook niet meer dan dat. Misschien zou men aldaar zijn hoge toon, als het gaat om dit soort vraagstukken, een tikkeltje kunnen matigen. Een tweede complicatie - nu in eigen politieke kring - is, dat een groot deel van onze partijelite in de afgelopen decennia iets al te welgemoed is bezig geweest predikant en pastoor door de voordeur uitgeleide te doen en nooit de bezwaren te hebben willen zien van zulk een drastische secularisatie als in Nederland heeft plaatsgehad. Bovendien hebben wij intussen de achterdeur open laten staan en door die deur heeft een aantal imams het huis betreden, die weliswaar zelden of nooit kwaad willen, maar die ons geheel vreemd zijn. Dat alles, terwijl de naoorlogse PvdA zich nu juist had georganiseerd als een partij van de Doorbraak, die gelovige mensen welkom heette in haar gelederen. Allemaal vergeten, in en na de jaren zestig. Wij moeten de waarde en betekenis van religie en geloof opnieuw leren, juist wij: omdat het aantal meelevende christenen in onze kring klein is geworden, maar het aantal gelovige moslims groot. Dat is geen reden om onze beginselen ter discussie te stellen, laat staan af te zweren. Dat vraagt ook niemand. Dat deden wij ook niet in ons streven naar Doorbraak in 1945-’46. Enig begrip en belangstelling voor het feit dat iemand nog andere diepe overtuigingen heeft naast zijn of haar politieke, zou ons echter niet misstaan. Integratie is een kwestie van wederzijds begrip en aanpassing; anders werkt ze niet. Zoveel is zeker: de PvdA kan niet toestaan dat mensen in stedelijke gemeenschappen aan de kant blijven staan, laat staan blijven liggen, en als ‘onrendabelen’ worden verwaarloosd. Zoals gezegd, arbeid is de beste en meest bevredigende vorm van sociale zekerheid, de Wet werk en bijstand zal juist daarvoor moeten worden gebruikt. Maar niet altijd kan de arbeidsmarkt het probleem oplossen. Ik zeg het Jetta Klijnsma na: wij zullen met meer inzet dan in recente jaren gesubsidieerde arbeid mogelijk moeten maken voor wie op de arbeidsmarkt niet terecht kan. De Wmo zal onder andere moeten helpen mensen die dat kunnen maatschappelijk te activeren en zo hun sociale participatie mogelijk te (blijven) maken. In de kern gaat het erom mensen erbij te houden en ze grotere macht over hun eigen leven en over hun maatschappelijke positie te geven.

  4. Politiek die stimuleert
    In hun behoefte het vertrouwen van burgers te behouden of te versterken hebben gemeentebestuurders van alle partijen vanaf de jaren negentig veel energie gestoken in versterking van de dienstverlening. Dat is een streven dat, ook nu nog, ondersteuning verdient. Niettemin: voor het politieke vertrouwen van burgers in hun overheid of in hun volksvertegenwoordiging heeft het weinig of geen effect. Goede dienstverlening is, wat men in de economie noemt, een dissatisfier. Mensen worden er op termijn eerder ontevreden van. Heel even merken zij de vooruitgang op, daarna is die al doodgewoon en kort daarna worden de eisen alweer opgeschroefd. Wie zich eenzijdig concentreert op dienstverlening, riskeert voorts de burger tot zuivere consument te maken en onvoldoende beroep te doen op zijn burgerschap en zijn bereidheid medeverantwoordelijkheid te dragen voor het goede functioneren van overheid en samenleving. Inwoners zijn meer dan klanten, zij zijn deel van de politieke gemeenschap. Op beide eigenschappen van inwoners mag en moet een beroep worden gedaan. Dat eerst maakt hen tot burgers, tot citoyens. Het is de taak van gemeentebestuurders, die van de PvdA in het bijzonder, juist dat burgerschap te stimuleren: niet door erover te preken maar door er de voorwaarden voor te scheppen. Bij voorbeeld, door burgers en hun organisaties, nauwer nog dan tot nu toe, te betrekken bij ruimtelijke plannen en voornemens. Soms lijkt het alsof de PvdA her en der bang is geworden te worden geïdentificeerd met ‘staal, glas en beton’ en met ‘megalomanie’, maar die tijd is wel voorbij, denk ik.

  5. Tot slot: Samenwerken in het gemeentebestuur
    Samenwerking met de andere democratische krachten in het gemeentebestuur is een essentieel vereiste voor het slagen van onze aspiraties. Daarvoor was en is een eigen sociaaldemocratische meerderheid niet noodzakelijk, noch zelfs maar een meerderheid van ‘links’. Linkse meerderheidscolleges zijn niet bij voorbaat van hoger moreel gehalte dan andere combinaties. Zij zijn, zoals blijkt uit het Nijmeegse voorbeeld, ook niet bij voorbaat hechter van karakter dan andere colleges. Maar, wisten wij dat niet al aan de hand van het voorbeeld van Den Haag in de vroege jaren negentig of Amsterdam, in de jaren zeventig? De gemeentelijke democratie is bezig te versnipperen. Grote traditionele partijen hebben structureel terrein verloren, het vacuüm is gevuld door kleine lokale lijsten, die veel zetels bezetten maar weinig continuïteit vertonen. Er is geen enkele aanwijzing dat die fragmentatie bij de komende gemeenteraadsverkiezingen zal afnemen. Het zou ons moeten aansporen na te denken hoe wij in de praktijk kunnen bijdragen aan vermindering van die versnippering, bij voorbeeld door allianties te beproeven met andere, verwante politieke partijen. Ik denk daarbij niet aan de SP. Het probleem dat ik er nationaal al mee heb is, dat haar politieke leidsvrouw telkens staat te juichen, als sociaaldemocraten het hebben over samenwerking maar vervolgens in één adem onze totale bekering tot haar orthodoxie eist. Liefst zou ik zien dat aan de kiezer voorafgaand aan de verkiezingen een progressief pact kan worden aangeboden van samenwerkende partijen. Als dat te veel gevraagd is, kan worden gewerkt aan een vorm van alliantie na de raadsverkiezingen, voorafgegaan - als verklaring van goede wil - door een lijstverbinding bij de verkiezingen. Bekering valt van ons niet te verwachten: wij hebben onze eigen idealen en overtuigingen, ook zonder veel ideologische veren. Maar voor constructieve vormen van samenwerking moeten wij ons, zeker in een tijd van fragmentatie, van harte openstellen. Het zou in het belang zijn van een constructieve en doelgerichte politiek in het gemeentebestuur. En het zou bijdragen aan wat wij willen: een sobere en dus integere en duurzame politiek; een sociale politiek van bescherming en participatie, een politiek die stimuleert en mensen machtig maakt. Met een partij die aanpakt.
Uit publicatie Lokaal Bestuur, Jaargang 34 nr. 2 Februari 2010
Reageer