Deze website gebruikt cookies

Voor een volledige werking van de website worden cookies op uw computer gezet.
Daarnaast worden cookies geplaatst voor het bijhouden van bezoekersgedrag binnen Google Analytics, de werking van social media knoppen en reactiemogelijkheiden op blogberichten.
Wil je meer informatie over hoe www.lokaalbestuur.nl om gaat met uw privacy en welke cookies worden opgeslagen, lees dan ons cookiebeleid.

Inloggen mijn CLB

Provincie moet rol pakken bij winkelleegstand

Alphons Ranner

cartoon winkelpanden klaar‘Te huur’, je komt de bordjes regelmatig tegen wanneer je door de binnenstad van een gemiddelde Nederlandse gemeente loopt. Leegstand van winkelpanden is aan de orde van de dag. De verantwoordelijkheid voor het detailhandelsbeleid ligt niet alleen bij gemeenten, omdat de effecten van het beleid in veel gevallen de gemeentegrenzen overstijgen. Steeds vaker is te horen dat juist provincies een regierol moeten pakken bij het voorkomen van nog meer leegstand en het creëren van gezonde en aantrekkelijke winkelvoorzieningen.

Illustratie Timothy Schelhaas

Er is sprake van een overaanbod van winkels in Nederland. De afgelopen tien jaar is de winkeloppervlakte met ruim vier miljoen vierkante meter (ter vergelijking: dit zijn ongeveer 400 voetbalvelden) toegenomen, terwijl de economie stagneerde, steeds meer mensen hun aankopen via internet doen en er in grote delen van Nederland sprake is van bevolkingskrimp. Inmiddels staat gemiddeld bijna 9 procent van het winkelbestand leeg en van de nieuwe winkelpanden wordt zelfs 20 procent onverhuurd opgeleverd. Leegstand zorgt voor nog meer leegstand en dus zijn de effecten op het voorzieningenniveau, de leefbaarheid en de verloedering van buurten en wijken groot. Vooral minder mobiele ouderen, noodlijdende winkeliers en andere minder draagkrachtigen dreigen hiervan het slachtoffer te worden. Om te voorkomen dat de leegstand in winkelgebieden nog verder uit de hand loopt, wordt van provincies een steeds actievere rol gevraagd.

Een tekortschietende provinciale regiefunctie leidt ertoe dat individuele gemeenten soms geen visie hebben op de detailhandel en dat zij niet of nauwelijks regionaal samenwerken. Gemeenten laten de detailhandel over aan de markt of bepalen zelfstandig het beleid. Daarmee benadelen zij zichzelf. Het afstemmen van beleid is noodzakelijk omdat grote projectontwikkelaars, vastgoedpartijen en winkelketens vaak wél bovenlokale keuzes maken en er niet voor terugdeinzen om gemeenten tegen elkaar uit te spelen. In Brabant worden gemeenten, via het expertteam Detailhandel, verleid om regionaal afspraken te maken over het detailhandelsbeleid. Met andere deskundigen en mensen uit het veld werkt het expertteam aan de vraag hoe er in Brabant kansen kunnen worden gecreëerd om vitale en aantrekkelijke winkelgebieden te blijven houden. Ook de provincies Noord- en Zuid Holland pakken een stevige rol als het gaat om de regie op leegstaande winkelpanden. Zij werken met een uitgebreide regionale detailshandelsvisie die gedetailleerde voorwaarden stelt aan het bouwen van nieuwe winkels aan de randen van gemeenten (zogenaamde perifere winkels) en andere grootschalige ontwikkelingen.

Ladder

Provincies kunnen gemeenten stimuleren de zogenaamde ‘Ladder voor Duurzame Verstedelijking’ toe te passen bij hun bestemmingsplannen. Deze ladder vormt een handreiking die ervoor moet zorgen dat besluiten over ruimte en infrastructuur zorgvuldig afgewogen worden en op een transparante manier tot stand komen. In de ladder is onder andere opgenomen dat gemeenten bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de benutting van de ruimte toelichten. Ze moeten inzichtelijk maken dat nieuwbouwplannen geen leegstand op andere plekken in de regio tot gevolg hebben. De behoefte aan nieuwe ontwikkelingen wordt afgewogen tegen het bestaande aanbod, om verdere leegstand te voorkomen. Ook moeten ze motiveren of de ontwikkeling niet kan worden gerealiseerd door herbestemming, herstructurering of transformatie. Dat Provinciale Staten hierin vergaande maatregelen kunnen nemen, bewees het provinciebestuur van Zuid-Holland toen het in 2013 een streep zette door de bouwplannen voor verschillende grote winkelcentra die aan de randen van gemeenten zouden komen. Dit vanwege de mogelijke gevolgen voor de middenstand in de binnensteden. Provincies kunnen op basis van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking ook zelf richtlijnen opstellen voor gemeenten. 

Compacte binnenstad

Het huidige provinciale beleid richt zich met name op grootschalige en perifere detailhandel. Extra winkelmeters aan de randen van een gemeente betekenen immers meer leegstand in de binnensteden. Maar daarmee is het probleem nog niet opgelost. Gemeente en provincie moeten kernwinkelgebieden durven aanwijzen om op die manier de concentratie van winkels te stimuleren. Nieuwe detailhandelsontwikkelingen vinden zoveel mogelijk binnen of aansluitend op het kernwinkelgebied plaats.  De provincie kan ondersteunen bij het in kaart brengen van gebieden met de beste detailhandelskansen door onderzoeksresultaten te delen en gemeente, winkeliers en vastgoedeigenaren bij elkaar om de tafel te brengen. Samen kunnen ze vervolgens kijken naar de mogelijkheden die er zijn om het bestaande winkelaanbod een nieuwe impuls te geven via webwinkels, pop-up-stores, acties en evenementen.
Tegelijkertijd moeten ook kansarme locaties in beeld worden gebracht. In krimpgebieden is niet overal een volwaardig winkelaanbod mogelijk en buurt- en wijkwinkels kunnen moeilijk concurreren met het centrum en webwinkels. Niet alle locaties kunnen altijd succesvol blijven als winkelgebied. De provincie heeft hierin een adviserende rol, desgevraagd kan zij gemeenten wijzen op de alternatieven (bijvoorbeeld functieverandering of herstructurering) voor kansarme winkellocaties.

Bestemmingsplannen

In lijn met het bovenstaande moet de provincie aansturen op flexibiliteit in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Deze plannen kennen doorgaans één enkele functie op een locatie. Functiewijzigingen, waardoor winkelgebieden compacter en aantrekkelijker kunnen worden, zijn hierdoor niet altijd te realiseren. Vooral voor zogenaamde aanloopstraten (straten die in directe verbinding staan met het centrum of de entree vormen naar het centrum) is flexibiliteit in de bestemmingsplannen belangrijk. In deze winkelstraten is vaak veel leegstand en de winkels die zich hier nog bevinden, moet gestimuleerd worden zich in het kernwinkelgebied te vestigen. De leeg gekomen panden krijgen idealiter een andere functie. De provincie Drenthe heeft onlangs 1,4 miljoen euro beschikbaar gesteld om dit wél mogelijk te maken. Winkelpanden krijgen bijvoorbeeld een woonbestemming of worden met andere panden samengevoegd tot één nieuwe winkel. De provincie kan hierbij optreden als initiator en subsidiegever voor pilotprojecten. In Overijssel doen ze dit onder andere door mee te werken aan een onderzoek dat kijkt naar stedelijke herverkaveling als deel van de oplossing om de binnenstand van Hengelo weer toekomstbestendig te maken. Winkels worden hierbij naar de binnenstad geschoven, terwijl de woonfunctie meer richting de randen van de gemeente gaat. Ook kan de provincie ervoor kiezen om een investering voor te financieren en daardoor herontwikkeling van een gebied mogelijk maken. Dergelijke oplossingen spelen in  op de wens van marktpartijen om in winkelgebieden de focus op herontwikkeling in plaats van ontwikkeling te leggen.  

Trends

Om het ruimtelijk beleid bij de vestiging van detailhandel te kunnen onderbouwen laten provincies in toenemende mate de regionale detailhandelsbehoefte onderzoeken en monitoren. Op basis van deze gegevens worden kansen, bedreigingen en koopstromen (wie koopt wat in welke winkel), maar ook trends en ontwikkelingen inzichtelijk gemaakt. Regionale afstemming kan hiermee gefaciliteerd worden. Goede voorlichting is niet alleen van belang voor gemeenten, maar ook voor het bedrijfsleven. Bedrijven weten daardoor beter waar ze aan toe zijn en kunnen hun investeringen met minder risico’s doen.

Toekomst

De eisen voor de toekomst liggen hoog.  We willen mooie winkelgebieden en vitale binnensteden met festiviteiten en evenementen. Tevreden consumenten, enthousiaste ondernemers en vooral zo weinig mogelijk leegstand. Is dit mogelijk? Misschien. Maar voor we zover zijn is er nog het nodige werk aan de winkel. Een belangrijke eerste stap in de goede richting is het gesprek aan te gaan met alle belanghebbende partijen. Leg het fundament voor een regionale aanpak door samen te kijken waar de behoeften liggen en welke mogelijkheden er zijn. Gedegen onderzoek kan helpen en provincies kunnen ervaringen van pilotprojecten en best practices delen. Een proactieve aanpak heeft hierbij de voorkeur. Schuif als provincie in een vroeg stadium aan bij gesprekken of initieer deze gesprekken zelf. Na deze eerste stap kan de provincie concrete instrumenten leveren voor  overleg, advies, regievoering en subsidiering. Met de gemeenten worden uiteindelijk afspraken gemaakt over het beleid. Welke eerste stappen zet jouw provincie om ervoor te zorgen dat  we  aantrekkelijke en toekomstbestendige winkelgebieden creëren?

Uit publicatie Lokaal Bestuur, Jaargang 38 nr. 11 November 2014
Reageer