Deze website gebruikt cookies

Voor een volledige werking van de website worden cookies op uw computer gezet.
Daarnaast worden cookies geplaatst voor het bijhouden van bezoekersgedrag binnen Google Analytics, de werking van social media knoppen en reactiemogelijkheiden op blogberichten.
Wil je meer informatie over hoe www.lokaalbestuur.nl om gaat met uw privacy en welke cookies worden opgeslagen, lees dan ons cookiebeleid.

Inloggen mijn CLB

Passend onderwijs: van papier naar praktijk

Jan Chris de Boer

Op 1 augustus 2014 is de Wet passend onderwijs in werking getreden. Daaraan ging een jarenlange discussie vooraf. Betekent dit dat er nu ook een ideale oplossing is gevonden voor de problemen die moesten worden bestreden? Nee, zeggen Nicole Teeuwen, directeur PPO (passend primair onderwijs) Rotterdam en Mario Stam, PvdA-wethouder in Schiedam.

PvdA-Tweede-Kamerlid Loes Ypma is in grote lijnen tevreden, maar doet ter ondersteuning van de nieuwe wet wel een oproep aan raadsleden: zoek uit hoe je thuiszittende leerlingen  weer naar school krijgt. ‘Kinderen hebben niet alleen een leerplicht, maar ook een leerrecht.’
In de aanloop naar de inwerkingtreding van de Wet passend onderwijs zijn de scholen in Nederland regionale samenwerkingsverbanden aangegaan. Er zijn 150 van dergelijke samenwerkingsverbanden ontstaan, die bestaan uit tientallen reguliere en speciale scholen. De wet beoogt onder meer het aantal thuiszitters (leerplichtige kinderen die niet naar school gaan) terug te brengen. Op dit moment zijn dat er ongeveer 20.000. Scholen mogen nu geen kinderen meer weigeren; ze zijn verplicht elke aanmelding te honoreren. Is er op de eigen school geen plek, dan moet die school een plaats vinden op een andere school binnen het samenwerkingsverband. Verder zijn de scholen verplicht zorg te bieden aan leerlingen die dat nodig hebben. Zo snel mogelijk en dichtbij. En ze hebben een preventieve taak gekregen. Uiteindelijk moet deze aanpak leiden tot minder leerlingen in het speciaal basisonderwijs. Het geld dat tot 1 augustus naar de ‘rugzakjes’ (de persoonsgebonden budgetten) ging, gaat nu naar de samenwerkingsverbanden. Hiervan worden de zorgtaken bekostigd.

Voorzichtig positief

Onderwijswethouder Mario Stam van Schiedam is voorzichtig positief over de nieuwe wet: ‘Goed toegepast zou het een verbetering kunnen zijn. Dat scholen kinderen niet meer mogen weigeren, vind ik een positief punt. Het aantal kinderen dat wel leerplichtig is maar niet naar school gaat, valt in onze gemeente relatief mee. Maar ieder kind dat thuis zit, is er één te veel. Tot nu toe zag je dat veel scholen kinderen met gedragsproblemen of leerproblemen weigerden. Dat gebeurde zelfs tot aan 1 augustus, toen de wet nog niet gold. Tegen de ouders werd gezegd: zoek maar een andere school. Aan die situatie is nu gelukkig een einde gekomen. Natuurlijk kun je geen onmogelijke eisen stellen, maar de scholen zijn nu in feite verplicht om iedereen aan te nemen.’
Tweede-Kamerlid Loes Ypma (woordvoerder jeugdzorg en basisonderwijs, speciaal en passend onderwijs) is ronduit positief: ‘De grootste winst vind ik dat ouders niet meer van school tot school hoeven te leuren met hun kind. Het is zo frustrerend en slecht voor het zelfvertrouwen als het kind keer op keer geweigerd wordt! Daarnaast is er een einde gekomen aan bureaucratische procedures en wordt nu maatwerk geleverd. Niet de  problemen die een leerling heeft staan centraal, maar datgene wat die leerling nodig heeft. Het ene kind met autisme kan bijvoorbeeld aan alles meedoen, maar durft in de pauze het schoolplein niet op. Nou, dat is gemakkelijk op te lossen. Maar een ander kind met autisme kan meer zorg nodig hebben. Dat kan nu allemaal geregeld worden. Ja, ik ben blij met deze wet. Want onderwijs is per slot van rekening de motor van de emancipatie en voor verheffing is passend onderwijs een essentieel middel om ieder kind kansen te bieden.’

Gemiste kans

Nicole Teeuwen, directeur PPO Rotterdam en in de periode 2008-2014 PvdA-wethouder in Houten met jeugd en onderwijs in de portefeuille, plaatst echter kanttekeningen bij de nieuwe wet. ‘Ik maak me zorgen over passend onderwijs in relatie tot de decentralisaties van de wmo, de jeugdzorg en de Participatiewet. Passend onderwijs is het probleem niet, maar passend onderwijs en die decentralisaties gaan voor een groot deel over hetzelfde. Eén persoon, één plan, was de bedoeling. Maar nu passend onderwijs en de decentralisaties gescheiden zijn, hebben ze verschillende financieringsbronnen en dus ook verschillende regisseurs. Ik vind dat raar. In het gunstigste geval wordt iedereen het met elkaar eens en wordt dubbel werk voorkomen, maar in het ongunstigste geval houd je iets in stand dat je juist niet in stand wil houden. Namelijk dat zowel Jantje als Pietje zich met een kind bemoeien. Het betekent ook een extra hobbel voor gemeentebestuurders. Jeugdzorg en zorg vanuit het onderwijs moeten bij elkaar gebracht worden. Ik zou niet weten waarom voor deze scheiding gekozen is. Ik vind het een gemiste kans.’ 

Drieënhalve decentralisatie 

Stam is het met Teeuwen eens: ‘Ik vind dit volkomen ondoorgrondelijk. Maar mijn dagelijkse realiteit is de uitvoering van wetgeving en daar moet ik dan maar het beste van maken. Ik heb het vaak over drieënhalve decentralisatie. De drie die per 1 januari 2015 ingaan én passend onderwijs. Ook ik vind dat ze als één geheel moeten worden gezien. Maar ja, we hebben nu met deze situatie te maken en daar hebben we op ingespeeld door te proberen de boel te zwaluwstaarten in ondersteuningsplannen. Want het heeft geen enkele zin één van die drieënhalve decentralisaties gescheiden aan te pakken.’
‘Ik ben het helemaal eens met Nicole’, zegt Ypma, toch wel verrassend. ‘De Wet passend onderwijs was al vastgesteld toen ik in de Kamer kwam. Ideaal is het niet dat jeugdzorg en onderwijszorg gescheiden zijn, maar je kunt ook moeilijk de verantwoordelijkheid voor de zorg vanuit het onderwijs bij de gemeenten neerleggen. Er ligt nu wel een kans, maar ook een verantwoordelijkheid bij de lokale partijgenoten. Zij kunnen er voor zorgen dat jeugdzorg en onderwijszorg in hun gemeente op elkaar worden afgestemd. Dat vraagt heel veel aandacht en ik vraag me af of die aandacht er nu wel is, want veel gemeenten zijn nog bezig met het organiseren van de jeugdzorg alleen. Het is dus van groot belang naar beide schakels te kijken, waarbij de centrale vraag is: wat heeft het kind nodig. Jeugdzorg en passend onderwijs mogen geen gescheiden trajecten worden.’

Goede afspraken

Een ander punt van zorg vindt Teeuwen de afstemming van het beleid van de samenwerkingsverbanden met het gemeentelijk jeugdzorgbeleid. ‘In grote gemeenten heb je meerdere samenwerkingsverbanden met mogelijk verschillend beleid. In kleinere gemeenten heb je gemeentegrenzen overschrijdende samenwerkingsverbanden die mogelijk met verschillend gemeentelijk jeugdzorgbeleid te maken krijgen. De samenwerkingsverbanden vallen dus niet samen met gemeentelijke of bestuurlijke regio’s. Dit had geen problemen op hoeven leveren als er één regisseur zou zijn geweest.’
Stam maakt zich niet zoveel zorgen om gemeentegrensoverschrijdende samenwerkingsverbanden: ‘Het kan inderdaad een probleem zijn, maar er verandert niet zoveel ten opzichte van de huidige situatie. Nu al heb je scholen met vestigingen in verschillende gemeenten of leerlingen die in de ene gemeente wonen en in een andere gemeente naar school gaan. Daarnaast heb je nog het co-ouderschap, waardoor leerlingen soms in de ene en soms in de andere gemeente wonen. Het is gewoon een kwestie van goede afspraken maken en wij hebben hier rekening mee gehouden.’
Ypma: ‘Je ziet gelukkig dat veel samenwerkingsverbanden dezelfde regio als de jeugdzorg beslaan. Maar er zijn uitzonderingen en dan is het inderdaad belangrijk om goede afspraken te maken. Het doel moet altijd zijn: goede zorg op school en goede zorg thuis.’
Meerdere samenwerkingsverbanden binnen één gemeente ziet Ypma niet per se als een probleem: ‘Er kunnen geen grote verschillen zijn, want er is maar één doel, namelijk het kind zo goed mogelijk mee laten doen. De school is een vindplaats van veel problemen, ook problemen thuis. De samenwerkingsverbanden moeten er voor zorgen dat de problemen op school worden aangepakt en de jeugdzorg is er voor de problemen thuis. Onderwijs en jeugdzorg waren twee compleet verschillende werelden, maar door de Wet passend onderwijs en de Wet op de jeugdzorg zijn ze dichter bij elkaar gebracht. Toegegeven, het is nog niet optimaal, maar er is zeker sprake van een verbetering.’

Gewetensvraag

Ondanks haar kritiekpunten is Teeuwen wel blij met de nieuwe wet. ‘Er moest iets gebeuren, want je had gezinnen met soms meer dan tien hulpverleners die van elkaar niet wisten wat ze deden. Dat er nu ook flink wordt ingezet op preventie, is nieuw en daar ben ik blij mee. Ik wil niet generaliseren, maar veel scholen zullen nog wel bijgespijkerd moeten worden. Met name op het gebied van zorgplicht en ouderbetrokkenheid. Lang niet alle scholen zijn klaar voor passend onderwijs.’
Is dat ook de ervaring van Stam? ‘Poe, een gewetensvraag… In principe zijn de scholen zich bewust van hun zorgplicht. De vraag gaat worden hoe de scholen omgaan met de bijzonderheden van leerlingen. Ja, ik denk wel dat de scholen er klaar voor zijn. En ouderbetrokkenheid staat bij ons hoog op de agenda. Ik noemde het een gewetensvraag omdat bij ons op 1 augustus, toen de wet in werking trad, alles in theorie klopte. En tot op dit moment heb ik nog geen klachten gehoord. Maar de grote lakmoesproef moet natuurlijk nog komen. Die krijgen we begin volgend jaar, als de inschrijvingstermijn voor het schoolseizoen 2015-2016 van start gaat.’
Ypma: ‘Het onderwijs is zo goed als de meester of juf die voor de klas staat. Dus zal de ene school het beter doen dan een andere. Helemaal nieuw is het natuurlijk ook niet. Je zou kunnen zeggen dat passend onderwijs al lang is begonnen. Want er wordt al les gegeven aan kinderen die extra ondersteuning nodig hebben. Leerlingen moeten kunnen omgaan met verschillen en voor de docenten geldt dat ook. Ik vind ook dat de leerkrachten daarin geschoold moeten worden. En dat ze bijvoorbeeld eens een docent van het speciaal onderwijs moeten uitnodigen om een les bij te wonen en feedback te geven. Die ondersteuning hebben de leerkrachten nodig, zo verbeteren ze samen het onderwijs. Passend onderwijs gaat niet vanzelf, dat moet iedereen zich realiseren. Het heeft tijd nodig.’

 Oproep

Ypma heeft tot slot nog een oproep aan de raadsleden. ‘Passend onderwijs moet het aantal thuiszitters verminderen. Ik wil de raadsleden oproepen eens uit te zoeken hoeveel thuiszitters er in hun gemeente zijn, waarom ze thuis zitten, op welke wijze ze weer naar school kunnen. Ieder kind verdient goed onderwijs! Veel van die thuiszitters willen niets liever dan naar school. De leerplichtambtenaar zou daar ook een rol in kunnen spelen. Want kinderen hebben niet alleen een leerplicht, maar ook een leerrecht.’

 Foto Nationale Beeldbank

 

Uit publicatie Lokaal Bestuur, Jaargang 38 nr. 10 Oktober 2014
Reageer

Gerelateerde artikelen:

Jacqueline Kalk

#Expeditie3: It takes a village to raise a child

Lees artikel

Wouter van der Schaaf

Meer mensen mondig maken anno 2016

Lees artikel

Jan Erik Keman

De Achterhoek, het Binnenhof en weer terug

Lees artikel