Deze website gebruikt cookies

Voor een volledige werking van de website worden cookies op uw computer gezet.
Daarnaast worden cookies geplaatst voor het bijhouden van bezoekersgedrag binnen Google Analytics, de werking van social media knoppen en reactiemogelijkheiden op blogberichten.
Wil je meer informatie over hoe www.lokaalbestuur.nl om gaat met uw privacy en welke cookies worden opgeslagen, lees dan ons cookiebeleid.

Inloggen mijn CLB

Niemand op de bank

Auke Blaauwbroek, Jacqueline Kalk, Theo Maas

Zelfs in de PvdA hoor je het zeggen: ze moeten maar eens met hun luie kont van de bank komen. Of zijn wij het zélf die in beweging moeten komen? Hoe sociaal is het om mensen op de bank te laten zitten? In ieder geval strookt het niet met ons verkiezingsprogramma. Daarin staat: ‘Volledige werkgelegenheid – wij geloven dat het kan. En de PvdA wil dit ook. Want werk emancipeert en geeft mensen zelfrespect’. Werk, werk, werk is dan ook één van de meest inspirerende en krachtige slogans in de geschiedenis van de PvdA. 

Wat is werk?

Werk, het hebben van een baan, is een middel om inkomen mee te genereren. Inkomen maakt de weg naar zelfstandigheid en economische onafhankelijkheid vrij. Onafhankelijk van de overheid, maar ook van je ouders of je partner, waardoor je in vrijheid kunt kiezen voor gebondenheid. Werk is een middel om verder te komen in het leven, het structureert je dag, geeft arbeidsritme, zelfrespect en waardering. Werk brengt contacten mee, met collega’s of met anderen. Zo ontstaat er weer een netwerk en speel je een rol van betekenis in het netwerk van anderen.

Wij willen graag dat mensen fluitend naar hun werk gaan en ook weer fluitend thuiskomen. Dat ze zich betrokken voelen bij hun bedrijf en invloed hebben op hun arbeidsomstandigheden. Goed werk is niet voor niets één van de vier waarden uit het Van Waarde-project van de WBS, net zo als bestaanszekerheid dat is. Beide zijn in deze tijd niet vanzelfsprekend.

Flexibilisering op de arbeidsmarkt, marktwerking en aanbesteding hebben ervoor gezorgd dat steeds meer mensen te maken hebben met tijdelijke aanstellingen, veranderingen van werkgever en vaak met een verslechtering van hun arbeidsvoorwaarden. Werknemers hebben daar maar in zeer beperkte mate invloed op. Of het nu om de thuishulp gaat of om de postbode of de leerkracht van de muziekschool, voor allen ligt er steeds vaker een onzeker bestaan als ZZP’er in het verschiet.

Deze flexibilisering van de arbeidsmarkt brengt voor iedereen het risico mee dat je te maken kunt krijgen met het verlies van je baan en daardoor een beroep moet doen op de overheid als laatste vangnet. Dit wordt versterkt door de economische malaise waarin bedrijven nog steeds omvallen. De WW wordt in duur beperkt, eventuele reparatie van deze duur is afhankelijk van bedrijfstak en CAO. De versobering van de verzorgingsstaat is een feit en niet een beeld dat zich in de toekomst zou kunnen aandienen. Tegelijkertijd is het ook een aansporing tot innovatie van de verzorgingsstaat. Niet elke verandering hoeft per definitie een verslechtering te zijn. Het kan ook leiden tot nieuwe concepten om samen met werkgevers op zoek te gaan naar een nieuwe invulling van de arbeidsmarkt.

Er zijn 700.000 mensen zonder baan. Werkloos zijn, een uitkering nodig hebben, wordt steeds sterker geproblematiseerd. Er wordt van je verwacht dat je kunt aantonen wat je gedaan hebt om te voorkomen dat je werkloos blijft. Mensen die een beroep moeten doen op de bijstand krijgen te maken met een verplichte tegenprestatie en een korting op hun uitkering als ze zich niet voldoende inspannen. Uitstroom uit de bijstand naar werk, liefst bij een reguliere werkgever, is het hoogste doel. Tegelijkertijd verzuchten raadsleden en wethouders in veel regio’s: ‘Maar wat als er geen werk ís, wat als ik voor elke arbeidsplaats minstens drie werklozen in de bakken heb staan?’ Al geloven we in volledige werkgelegenheid, nu en de komende jaren is dat nog geen realiteit.

Rechtse retoriek

Is het niet vreemd dat juist in een periode waarin sprake is van een economische crisis en een versobering van de verzorgingsstaat, degenen die toch een beroep moeten doen op de overheid vanuit een negatief perspectief worden benaderd? De retoriek hieromheen lijkt de retoriek van rechts Nederland. Een retoriek die ook wij als PvdA ons steeds meer toe-eigenen. ‘We’ verplichten mensen tot een tegenprestatie voor de bijstand, ‘we’ beperken de toegang tot de bijstand door een wachttijd van vier weken in te voeren. De nadruk wordt gelegd op sancties, strafmaatregelen, boetes en controles. Het mensbeeld dat daarachter lijkt te zitten gaat niet uit van vertrouwen maar van wantrouwen.

Maar wat staat daar tegenover? Elk mens is de moeite waard om in te investeren. Zolang er voor mensen perspectief is op arbeidsdeelname, of perspectief om een trede hoger te komen op de participatieladder, willen wij in mensen investeren. Dat is een belangrijk uitgangspunt voor lokale PvdA-bestuurders. Iedereen die arbeid kan verrichten, moeten we daartoe de mogelijkheid bieden, het liefst in de vorm van betaald werk. En wie daarbij begeleiding nodig heeft, kan die ook krijgen.

Klopt het beeld van rechtse retoriek? Of zijn we met de nieuwe Participatiewet en de WWB juist beter in staat om mensen individueel te ondersteunen en te begeleiden naar werk? Kun je met deze nieuwe wetgeving de omslag maken van generieke oplossingen voor iedereen naar maatwerk per persoon om mensen succesvol te laten participeren? Voorwaarde is wel dat werkgevers hun verantwoordelijkheid voor de opvang van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt accepteren en oppakken.

Tegenprestatie of wederdienst

Als samenleving kun je best wel wat vragen van mensen die een uitkering ontvangen. Enige inspanning mag daar best tegenover staan. Dat past in deze tijd en staat niet haaks op onze sociaaldemocratische waarden. Maar dat mag niet ‘doen om het doen’ worden. Het moet méér zijn dan alleen werkverschaffing. Het moet gaan om zinvolle bezigheden (mens en samenleving moeten er wat aan hebben), het moet gaan om activiteiten die perspectief bieden op een reguliere arbeidsplaats, en de gevraagde inspanningen moeten altijd tijdelijk zijn.

Wij vinden het belangrijk dat degene aan wie de tegenprestatie wordt gevraagd, ook in staat wordt gesteld om hier zelf een voorstel voor te doen.

Maar daarmee ben je er nog niet als je wilt definiëren wat je kunt vragen aan wie en in welke omstandigheden. Dit is geen eenvoudige invuloefening. Je kunt het in de omvang van het aantal uren zoeken of in de duur van de periode of in de aard van de werkzaamheden. Al snel merk je dat in veel gevallen niet dezelfde maatregelen kunnen worden getroffen. Je moet altijd rekening houden met specifieke en persoonlijke omstandigheden. Elke vorm van wederdienst vraagt dus om maatwerk.

Het vragen van een wederdienst schept ook voor gemeenten verplichtingen, namelijk het bieden van begeleiding bij het vinden van een reguliere baan, het hebben van goede contacten met de regionale arbeidsmarkt en met werkgevers, het - samen met het onderwijs - bieden van goede programma’s die kansen vergroten, maar ook de verplichting om misbruik van uitkeringen te voorkomen. De wederdienst of tegenprestatie mag geen strafmiddel zijn maar moet altijd leiden tot het verbeteren van het perspectief, zoals competentieverhoging en stijging op de participatieladder.

Gemeenten willen wij aanspreken op de mogelijkheden die zij weten te creëren om mensen met een wederdienst mee te laten doen in de (lokale) samenleving.

Vrijwilligerswerk

Kan een wederdienst hetzelfde zijn als vrijwilligerswerk? Nee. Nederland is kampioen vrijwilligerswerk. Wij doen al ontzettend veel als vrijwilliger, in de sportvereniging, in de politiek, op de school van onze kinderen en in de buurt. Wij staan aan de top van de landen waar naast een betaalde baan vrijwilligerswerk wordt gedaan. En dat houdt niet op als de betaalde baan even niet voorhanden is. Kenmerk van het vrijwilligerswerk is nu juist dat je het zonder dwang doet, dat het voor jou als persoon geen gevolgen heeft als je ermee stopt, dat je er geen betaling voor ontvangt, en dat je ermee bijdraagt aan een maatschappelijk doel. Vrijwilligerswerk kan dan ook niet dwingend worden opgelegd in het kader van de tegenprestatie. Wel als keuze van de persoon zelf - net zo als dat ook kan in relatie tot mantelzorg - om zijn of haar wederdienst mee in te vullen en mits het bijdraagt aan verbetering van je perspectieven. 

De vraag of veel vrijwilligerswerk niet gewoon reguliere banen zijn, is lastiger te beantwoorden. Vrijwilligerswerk is deel van het cement in de samenleving. Aan de andere kant zijn er ook instellingen en werkgevers die ruimhartig met de inzet van vrijwilligers omgaan om op de personele kosten te besparen. Hoewel dit soms noodzakelijk is, denk aan welzijnsorganisaties, kunnen wij deze groep werkgevers aansporen hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen en dit werk weer regulier te maken en hen desnoods daarvoor tijdelijke financiële ondersteuning te bieden.

Verdringing

Wederdiensten of tegenprestaties mogen nooit regulier werk verdringen. Daar zal iedereen het mee eens zijn. Maar hoe bewaak of voorkom je dat? Wat tot voor kort regulier werk was, kan ten gevolge van bezuinigingen vervallen zijn. We hebben daar de laatste maanden regelmatig voorbeelden van gezien: mensen die zijn ontslagen en vervolgens hetzelfde werk weer kunnen doen maar dan voor veel minder geld of in het kader van een tegenprestatie. De vermindering van gesubsidieerd werk heeft er niet voor gezorgd dat deze banen allemaal zijn omgezet naar regulier werk. De realiteit is dat dat niet mogelijk is. Lokaal kun je de keuze maken dat wederdiensten niet kunnen worden ingezet daar waar banen met dezelfde activiteiten in de laatste twee jaar zijn wegbezuinigd.

Soms kunnen we ons de vraag stellen waarom in het verleden bepaalde activiteiten betaald werk zijn geworden. Niet alles wat van waarde is, vooral in het sociale verkeer, moet financieel worden vertaald. Juist dat is in onze samenleving doorgeslagen waardoor een te sterke individualisering is opgetreden en aandacht en zorg voor elkaar teveel geïnstitutionaliseerd is. Juist daar liggen kansen voor een samenleving waarin mensen meer oog en verantwoordelijkheid voor elkaar hebben. Meer solidariteit tussen en met mensen in plaats van via de overheid, instanties en instituties.

In de discussie over de tegenprestatie of werken met behoud van uitkering wordt al snel geroepen dat er sprake van verdringing is. De vakbonden en SP voorop. Verdringing gaat om banen die verdwijnen zonder dat het werk zelf verdwijnt; het wordt voortaan uitgevoerd in het kader van een regeling. Verdringing ontstaat ook doordat hoger opgeleiden het werk van lager opgeleiden doen. Beide hangen samen met de conjunctuur. Crisissen leiden tot het verdwijnen van banen en een overschot op de arbeidsmarkt.

Impulsen geven

In tijden van economische crisis dreigt de mobiliteit op de arbeidsmarkt vaak te verdwijnen. Juist dan is het aan de lokale overheid om impulsen te geven om de starre arbeidsmarkt in beweging te krijgen. Naast investeren in nieuwe instrumenten voor de arbeidsmarkt is het ook de taak van de lokale overheid om samen met onderwijs en werkgevers te innoveren met nieuwe producten en diensten. Een startersbeurs (bedoeld om nieuwe werkgelegenheid te creëren) of een nieuw te ontwikkelen meesterschapsbeurs zijn daar voorbeelden van. Met dergelijke kortlopende impulsen kan er sprake zijn van tijdelijke verdringing van arbeid, maar dat kan opwegen tegenover de mobiliteit die dan ontstaat en kan het voorkomen dat er een ‘verloren generatie’ van jongeren ontstaat.

Als we in staat zijn om in de regio met werkgevers tot duurzame afspraken te komen over de inzet van WWB’ers en mensen met een arbeidsbeperking, dan is een arbeidsquotum ook niet meer dan een instrument dat we achter de hand hoeven te hebben. Dat vergt wel inzet, wederzijds vertrouwen en voortdurende communicatie tussen individuele werkgevers, onderwijsinstellingen en de regiogemeenten. Verleid werkgevers door hun de vrijheid te bieden keuzes te maken uit ons WWB- en WW-bestand, hen op te leiden en met behoud van uitkering of loonkostensubsidie aan de slag te helpen, met uitzicht op een duurzame baan.

Het zou moeten werken als communicerende vaten: de overheden geven ruimte aan werkgevers om te experimenteren met inzet van WW’ers, WWB’ers en mogelijk ook SW’ers. Naarmate werkgevers meer verantwoordelijkheid nemen en middelen inzetten, kan de overheid dat in dezelfde mate loslaten. Daarmee investeren we in een nieuwe arbeidsmarkt die anticipeert op vergrijzing en ontgroening en daarmee op toekomstige tekorten zonder een beroep te hoeven doen op nieuwe vormen van arbeidsmigratie. Een dergelijke verandering heeft echter tijd en vertrouwen nodig.

Als je in je eigen tuin werkt, heet dat zelfredzaamheid, eigen kracht of hobby. Werk je het tuintje van je bevriende linkerbuurman bij omdat hij tijdelijk in een rolstoel zit, dan heet het een vriendendienst. Zit hij voor de rest van zijn leven in een rolstoel en blijf je zijn tuintje bijhouden, dan heet het mantelzorg. Zit je rechterbuurman goed in de slappe was en huurt hij jou in om zijn tuin ook bij te houden dan heet dat betaald werk. 

We zitten te vaak in een kramp bij onze beoordeling of een bepaalde activiteit werk of vrijwilligerswerk is. Kijk niet alléén naar de activiteit, maar ook naar de context waarin die wordt verricht. Anders bestaat de kans dat (regulier) werk al gauw wordt verdrongen door een wederdienst of door vrijwilligerswerk. 

Cartoon: Timothy Schelhaas

 

Uit publicatie Lokaal Bestuur, Jaargang 38 nr. 2 Februari 2014
Reageer

Verder in deze uitgave van Lokaal Bestuur
Jaargang 38 nummer 2 februari 2014:

Lees deze artikelen in Lokaal Bestuur:

download pdf word nu abonnee