Deze website gebruikt cookies

Voor een volledige werking van de website worden cookies op uw computer gezet.
Daarnaast worden cookies geplaatst voor het bijhouden van bezoekersgedrag binnen Google Analytics, de werking van social media knoppen en reactiemogelijkheiden op blogberichten.
Wil je meer informatie over hoe www.lokaalbestuur.nl om gaat met uw privacy en welke cookies worden opgeslagen, lees dan ons cookiebeleid.

Inloggen mijn CLB

Nederland zonder aardgas toch warm houden

Maarten de Groot, Sjak Rijploeg & Wieger Harkema

We willen het klimaat redden en van Parijs een succes maken, ook zonder medewerking van Trump. En we willen dat mensen in Groningen zonder angst naar bed gaan en tegelijkertijd  niet afhankelijk blijven van de grillen van Poetin. De conclusie lijkt helder: onze gebouwen verwarmen op aardgas heeft de langste tijd gehad. 

Klinkt logisch, maar een makkelijke overgang zal het niet worden. Onze huizen, onze scholen en onze kantoren: voor het overgrote gedeelte worden ze verwarmd door het aardgas en de hele infrastructuur is op gas ingericht. Beleidsmakers – ook lokaal – staan voor een keuze. Kies je als wethouder bijvoorbeeld voor een manier van verwarmen die alleen aantrekkelijk is voor vermogende particuliere huizenbezitters of voor een aanpak die ook voordelig is voor huurders, maar die dan wel collectief gefi nancierd moet worden? En laat je het over aan de markt of houd je als overheid de regie in handen?

Onze hele infrastructuur is op gas ingericht

Zowel de gebouwen als de infrastructuur moeten worden aangepast. Welke aanpassingen dat zijn, hangt sterk af van het gekozen alternatief. En daar zijn er veel van. Sommige daarvan gebruiken biogas of hout, andere industriële restwarmte en weer andere maken slim gebruik van de warmte die gebouwen ontvangen van de zon en menselijke activiteiten. Bij bepaalde alternatieven is verwarming goed te combineren met koeling, bij andere niet. Er zijn relatief goedkope alternatieven die erg veel elektriciteit eisen in koude winters, naast duurdere waarbij het surplus aan warmte in de zomer opgeslagen wordt om de behoefte in de winter te kunnen dekken.

Regie bij gemeenten

Er is dus geen uniform plan dat kan worden toegepast. Het beste antwoord verschilt soms van huis tot huis en is in ieder geval in iedere buurt anders. Bijna alle opties worden gekenmerkt door omschakeling naar een nieuwe infrastructuur en aanpassingen aan de individuele gebouwen. Die omschakeling zal voor alle bewoners en bedrijven van een buurt moeten plaatsvinden in een periode van een beperkt aantal jaren.

Voor eigenaren van huizen en andere gebouwen lijkt het misschien aantrekkelijk om zelf een keuze te maken, ongeacht van wat er in de rest van de buurt gebeurt. Maar in praktisch alle gevallen zal de vervanging van de lokale aardgasinfrastructuur neerkomen op de aanleg van nieuwe of flinke aanpassing van bestaande infrastructuur. Het aanleggen en aanpassen van meerdere soorten systemen is in de meeste gevallen ineffi ciënt. Het is daarom verstandig om per buurt een collectieve beslissing te nemen over de nieuwe manier van verwarmen. Dat maakt het bij uitstek een vraagstuk voor de lokale politiek.

Het is bij uitstek een vraagstuk voor de lokale politiek

Niet over twintig jaar, maar nu. Gemeenten moeten allereerst zorgen voor een evenwichtige afweging van alle belangen. Daarom dienen de gemeenten de regie te krijgen bij deze transitie: een proces van nauwe samenwerking met buurtbewoners, woningcorporaties, eigenaren van huizen en andere gebouwen, netwerkbedrijven, energieleveranciers en andere betrokkenen. Om te beginnen stellen gemeenten voor elke buurt het jaar vast waarin de transitie van start gaat. Dat is afhankelijk van onder meer de technische levensduur van de warmtenetten, cv-ketels en andere warmte-installaties in de gebouwen. Maar bijvoorbeeld ook van plannen om gebouwen te renoveren, zoals de aanleg van zonnepanelen en de isolatie. En wanneer de riolering vernieuwd moet worden, is dat eveneens een moment om te kijken naar vernieuwing.

Vervolgens bestuderen gemeenten de verschillende opties, nemen ze een besluit en dienen ze de regie te voeren bij de uitvoering. Daarbij kan het wellicht nodig zijn dat zij in overleg met oude netwerkbedrijven nieuwe infrastructuurbedrijven oprichten.

Ook is het essentieel dat de communicatie op orde is. Uitgebreide voorlichting is al in een vroeg stadium nodig, zodat bewoners een goede beslissing kunnen nemen over de eventuele vernieuwing van hun op aardgas werkende apparaten. Een helpdesk kan nuttig zijn om eigenaars van woningen, winkels en andere gebouwen te assisteren. En als bewoners niet overvallen worden en ruim de tijd krijgen om tot een beslissing te komen, komt dat de algemene acceptatie van de omschakeling alleen maar ten goede. 

Coördinatie met andere overheidslagen

De omschakeling van verwarming op aardgas naar een duurzame manier van verwarmen is behoorlijk gecompliceerd. De keuze van de beste optie vereist veel expertise, temeer omdat de techniek zich snel ontwikkelt. Van gemeenten hoeft niet verwacht te worden dat ze voldoende kennis in huis hebben. Het inhuren van experts behoort weliswaar tot de mogelijkheden, maar kan een flinke aanslag op het budget doen. Gezien het belang van een snelle en zorgvuldige besluitvorming, zal de landelijke overheid een belangrijke bijdrage moeten leveren aan het beschikbaar stellen van kennis. Zo kan er bijvoorbeeld een kenniscentrum worden opgezet waar onderzoek naar innovaties wordt gedaan en waar gemeenten voor advies terecht kunnen.

Gezien de urgentie is een door het Rijk gefinancieerd kenniscentrum een must

Provincies hebben eveneens een belangrijke rol. De warmtevoorziening raakt de ruimtelijke ordening. Warmtenetten en geothermieprojecten vinden al gauw plaats op provinciale schaal. Om te beginnen kunnen provincies inventariseren waar in de zomer (en winter) overschotten van warmte (en koude) zijn. Vervolgens kan de provincie dan de gemeentelijke plannen, die gericht zijn op uitwisseling en opslag van warmte (en koude), helpen coördineren. 

Aanpassing wetgeving en investeringen

Dan het parlement en de regering. Ook die zullen hun rol moeten pakken. De Klimaatwet leent zich heel goed om de transitie van aardgas naar duurzaam vorm te geven. Te denken valt aan wetgeving die gemeenten de bevoegdheid geeft om te beslissen over de warmtevoorziening per buurt en te voorkomen dat zulke beslissingen meer dan een jaar vertraging oplopen door bezwaarprocedures.

Verder is het zaak om de lusten en lasten gelijk te verdelen. Zonder sturing zullen vooral de lagere inkomens de lasten dragen en zonder extra geld voor de benodigde investeringen komt de overgang niet op gang. Het is dan een idee om een gedeelte daarvan beschikbaar te stellen voor de overgangsproblemen. Bijvoorbeeld door de vervroegde afschrijving van cv-ketels te compenseren en garanties te bieden voor investeringen die pas na vele jaren rendabel worden. In het verlengde hiervan ligt de taak om de oplossingen die op de lange termijn het meest duurzaam zijn te bevorderen. Dat kan via belastingen, subsidies en wetgeving. Wanneer die sturing uitblijft, zullen de minder duurzame opties financieel aantrekkelijker blijven.

Geen tijd te verliezen

Verwarming met aardgas wordt de komende 10 tot 20 jaar in bijna elke buurt vervangen door een duurzame vorm van verwarming. Welke vorm en in welk jaar zal van buurt tot buurt verschillen. Als die omslag goed wordt aangepakt krijgen we betere huizen, een prettiger binnenklimaat en veel nieuwe banen zonder lastenverzwaring voor de lage inkomens. Zoiets is onmogelijk zonder intensieve sturing van de overheid. Dus dat betekent werk aan de winkel: in Den Haag, maar zeker ook in de gemeente- en provinciehuizen in de rest van het land.


Voor meer informatie kan je contact opnemen met het netwerk Duurzaam: info@pvdaduurzaam.nl 

 

Enkele overwegingen bij de keuze voor de nieuwe manier van verwarmen

  • Invloed op de omgeving. Zo hebben sommige oplossingen invloed op het lokale klimaat of de lokale luchtkwaliteit. Andere manieren beïnvloeden weer de temperatuur van het grondwater.
  • Koeling van gebouwen. Winkels, kantoren en veel andere gebouwen worden niet alleen verwarmd, maar ook gekoeld. Vaak is er één systeem voor beide. Ook bij scholen en woningen zal de behoefte aan koeling waarschijnlijk toenemen. Bij de ene optie voor verwarming is de optie voor koeling gemakkelijker in te passen dan bij de andere.
  • Bijdrage aan de opslag van warmte en koude. Die is in de eerste plaats nodig omdat er in de winter vooral behoefte is aan warmte en in de zomer aan koude. Die opslag is bovendien van groot belang voor de duurzame energievoorziening, omdat de productie van elektriciteit uit wind en zon sterk fl uctueert. En omdat de opslag van energie van warmte veel goedkoper is dan die van elektriciteit.
  • Aanpasbaarheid van de infrastructuur. Het aanleggen van een nieuwe infrastructuur is alleen verantwoord als die vele tientallen jaren mee kan. Als bijvoorbeeld gekozen wordt voor het aanleggen van een warmtenet op basis van restwarmte van industrie moet er wel rekening mee worden gehouden dat de betrokken industrieën over een aantal jaren kunnen vertrekken of hun proces zodanig aanpassen dat weinig restwarmte beschikbaar is. Dan moet een andere warmtebron worden ingeschakeld of moet het warmtenet zonder al te veel kosten omgebouwd kunnen worden naar een type warmtenet dat geen restwarmte nodig heeft.
  • Kosten van investering en exploitatie. Waar moet het geld vandaan komen? Voor een deel zal dat moeten komen van de gebouweigenaren. In plaats van een cv-ketel zullen ze nu bijvoorbeeld een warmtepomp moeten aanschaffen. Een groot deel van het geld voor de nieuwe infrastructuur kan in veel buurten komen van het bedrijf dat eigenaar is van het aardgasnetwerk. Het bedrijf heeft geld gereserveerd voor vervanging van dat netwerk, zodra dat aan het einde is van de technische levensduur. Een moment dat nu, ruim een halve eeuw na de aanleg, snel naderbij komt. Ook de bedrijven verantwoordelijk voor de elektriciteitsvoorziening zouden een bijdrage kunnen leveren, als gekozen wordt voor oplossingen waarbij veel warmte wordt opgeslagen en de verzwaring van het elektriciteitsnetwerk beperkt blijft. Gemeenten zouden ook een deel van de infrastructuur voor hun rekening kunnen nemen door gebruik te maken van de stijgende huizenprijzen, en door de tarieven van de OZB-belasting niet te verlagen.
Uit publicatie Lokaal Bestuur, Jaargang 41 nr. 4
Reageer

Gerelateerde artikelen:

Jacqueline Kalk

Hebzucht in een digitaal jasje

Lees artikel

Jan Chris de Boer

Lokale kwesties, geen anticampagne en uit de bubbel

Lees artikel

Kirsten Verdel

Trouw aan de mensen en de idealen

Lees artikel

Verder in deze uitgave van Lokaal Bestuur
Jaargang 41 nummer 4 :

Lees deze artikelen in Lokaal Bestuur:

download pdf word nu abonnee