Deze website gebruikt cookies

Voor een volledige werking van de website worden cookies op uw computer gezet.
Daarnaast worden cookies geplaatst voor het bijhouden van bezoekersgedrag binnen Google Analytics, de werking van social media knoppen en reactiemogelijkheiden op blogberichten.
Wil je meer informatie over hoe www.lokaalbestuur.nl om gaat met uw privacy en welke cookies worden opgeslagen, lees dan ons cookiebeleid.

Inloggen mijn CLB

Megastallen en stankoverlast op het platteland

Erwin Buter

'Het moet hier geen tweede Brabant worden'

Wie op een lentedag in het buitengebied wandelaars en inwoners vraagt naar de karakteristieke geur, krijgt twee reacties. De een vindt het stinken, de ander vindt het juist prettig ‘ruiken’. Die laatste groep – veelal boeren verenigd in partijen als CDA en VVD – had het tot voor kort voor het zeggen. Stank en stof hoorden er nu eenmaal bij, er moest geld verdiend worden en van de mest kun je nieuwe grondstoffen maken. En een nieuwe stal was dankzij een sterke lobby snel gegund.

Er vindt echter een kentering plaats. Inwoners en beleidsmakers zien stankoverlast en fijnstof als een groeiend probleem voor de volksgezondheid, het verzet tegen megastallen groeit en het kabinet heeft fosfaatnormen aangekondigd. De vraag rijst voor wie de PvdA kiest: de boze burgers of toch de boeren? We vragen het verschillende beleidsmakers en een boer. 

Gespannen sfeer op verjaardagsfeestjes

Antoinette Knoet-Michels is PvdA-Statenlid in Noord-Brabant, de provincie met de meeste dieren in Nederland. Ze woont in Deurne en spreekt mensen die soms al 40 jaar tussen de boeren wonen. Voor hen is de maat vol. ‘Ik heb de situatie achteruit zien gaan met de toename van stank en stof. Je kan je raam soms niet meer openzetten of de was buiten hangen. De sfeer in het dorp is echt aan het veranderen. Op feestjes praten mensen er maar niet meer over, want je wilt geen ruzie met je buren of familie.’ 

De Brabantse Staten namen in 2011 haar motie aan dat het genoeg was met de uitbreiding van de veebedrijven. Haar fractie zoekt de balans tussen economie en natuur en tussen stad en platteland: ‘Op het platteland wordt gewoond en gewerkt, en brengen anderen hun vrije tijd door. Ik vind dat de mensen die er werken, zoals de boeren, dat moeten blijven doen. Maar wel met de menselijke maat in het oog. Dus geen grote eenzijdige bedrijven en niet nóg meer megastallen.’

Nu het CDA sinds 2015 niet meer in het provinciebestuur zit, heeft het college van Gedeputeerde Staten (VVD, SP, D66 en PvdA) de aanval op de boerendominantie ingezet. De provincie wil dat boeren meer nadenken over mens en milieu óf ze moeten stoppen. In 2020 moeten de stallen emissiearm zijn gemaakt, moeten boeren de mest op eigen terrein verwerken tot een minder schadelijke stof en wordt een deel van de mest verwerkt op industrieterreinen. Daarmee hoopt de provincie dat al die boeren duurzaam worden.

Dat gaat niet zonder protest. ‘De sector is dominant door het grote aantal boeren’, zegt Knoet-Michels. ‘Andere partijen als zorgboerderijen, campings en bewoners kwamen er tot voor kort niet tussen.’ In delen van Zuidoost-Brabant is het platteland veranderd in ware industriegebieden voor dieren. Dat moet volgens haar anders: ‘Bij elk nieuw bedrijventerrein kijkt een gemeente of dit in zijn geheel mogelijk is en zijn er allerlei regels om rekening mee te houden, maar in het buitengebied ontbreekt die visie. Als een nieuwe stal maar voldoet aan de regels, dan kwam er een vergunning. Nooit werd gekeken naar de effecten in het hele gebied.’

Volgens Knoet-Michels speelt het de boerenlobby in de kaart dat niet één, maar diverse overheidsinstanties beslissen over de vestiging van boerenbedrijven, regels voor geur en het dierenwelzijn. ‘Wat ik heel graag zou willen is dat de provincie de mogelijkheid krijgt om te kunnen reguleren. Van mij mag de agrarische ontwikkeling in bepaalde gebieden op slot.’ Ze wacht met smart op een wetsvoorstel van staatssecretaris Martijn van Dam dat het aantal dieren reguleert.

Scharrelen

Henk Leenders, die na de verkiezingen niet terugkeerde als Kamerlid, hoopt ook dat Van Dam die wet zo snel mogelijk naar het parlement stuurt: ‘Martijn heeft een mooi voorstel op de plank, maar de VVD ligt al tijden dwars. Ze wil er gewoon niet aan.’ Ook CDA, SGP en ChristenUnie zijn tegen.

Leenders: ‘We hebben in ons verkiezingsprogramma gezegd dat het aantal landbouwdieren met 20% naar beneden moet. Nu zijn er al bijna 100 miljoen kippen in Nederland. Moet je je voorstellen wat de impact is op een bevolking van 17 miljoen.’ Het leek zo goed geregeld: kippen die vrij rondscharrelen op het land en zo een mooi en zorgeloos leven leiden. Goed voor het dierenwelzijn, maar met een neveneffect hadden beleidsmakers onvoldoende rekening gehouden: geur en fijnstof. Het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid en het Milieu (RIVM) constateerde onlangs dat bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen meer kans op een longontsteking hebben dan elders. In zijn algemeenheid geldt dat hoe meer boerderijen in de buurt zijn, hoe meer hinder en kans op ziekte er is. Als oorzaak wijst het RIVM op de ammoniak die vrijkomt en vooral afkomstig is uit de mest van het vee. Vooral pluimveebedrijven, met al die scharrelende kippen in de buitenlucht, zijn boosdoeners. Het onderzoeksinstituut vergelijkt de blootstelling aan ammoniak met die aan het verkeer in de stad. Maar het RIVM relativeert ook: dichtbij een boerderij komt minder astma en allergie voor. 

De grote versnippering onder beleidsmakers speelt boerenlobby in de kaart

Leenders: ‘De groei van het aantal dieren kan ons land eenvoudig niet meer dragen. Daarom vinden we dat boeren hun bedrijf moeten afstemmen met wat de omgeving aankan, dat ze draagvlakonder de bevolking moeten hebben en tot slot dat een boer een goed inkomen heeft. In de gebieden met de meeste dieren en overlast zou het aantal als eerst omlaag moeten.’ Om bij de kippen te blijven: ‘De VVD zegt dat de negatieve gevolgen komen door al die biologische kippen. Ik zeg: “Draai het om.” We moeten het aantal afstemmen op de omgeving. Dan heb je geen problemen meer.’ Gaat dat niet ten koste van de werkgelegenheid, zoals de boerenlobby steeds zegt? Het oud-Kamerlid antwoordt kort: ‘Gezondheid gaat voor economie’.

Luchtwassers en de kleine boer

Het Limburgse Statenlid en fractievoorzitter Jasper Kuntzelaers kijkt intussen met enige jaloezie naar zijn buren in Noord-Brabant. ‘Wij hebben hier het CDA wél als coalitiepartij. Dan gaat een bestuur toch net even anders om met de landbouw en ligt de focus op de agrariër. Ja, we zien dat boeren bijvoorbeeld meer luchtwassers installeren om de stank voor de omgeving tegen te gaan en de provincie promoot de biologische landbouw. Maar echte stappen worden er niet gezet.’

Om een rechts college met VVD en CDA toch tot bewegen te brengen gebruikt de Limburgse PvdA-fractie de handhaving als pressiemiddel. ‘Als een omwonende belt dat bij de buurman de luchtwasser het niet doet, duurt het nu dagen voor iemand komt kijken.CDA en VVD blijken gevoelig voor het argument dat ze hun eigen regels moeten handhaven. Zo krijgen we onze doelen toch iets dichterbij.’ 

Kuntzelaers maakt onderscheid tussen de gewone boer, die omziet naar zijn dieren, en de ‘mannen die in maatpak komen aanrijden in hun Mercedes’ en het alleen te doen is om het geld. Foppe Nijboer is een van die gewone boeren die zelf nog op het land te vinden is. De Friese melkveehouder is daarnaast voorzitter van Netwerk Grondig. Deze belangenorganisatie is in 2015 opgericht door een aantal zogeheten grondgebonden boeren. Dat was mede uit protest tegen LTO Nederland, die volgens Nijboer ‘vooral opkomt voor de grote intensieve veehouderij.’ De voorzitter wil dat de politiek ook luistert naar de kleinere boer die met zorg voor dier en milieu een boterham probeert te verdienen: ‘Er zijn nog 15.000 tot 16.000 boeren, waarvan 3.000 vallen onder de intensieve veehouderij. LTO kiest alleen voor die laatste groep. Dat vinden wij de verkeerde weg.’

LTO kiest voor de intensieve veehouderij

Inmiddels heeft het netwerk enkele honderden leden. Deze boeren hebben voldoende land om hun eigen vee te kunnen voeden, en de mest is een essentieel onderdeel van de kringloop van hun bedrijf. Nijboer zelf heeft 60 hectare om zijn 70 koeien te kunnen voeden. Naar eigen zeggen ondervinden zijn buren geen enkele hinder van zijn bedrijf. Integendeel: ‘In mijn dorp Boelenslaan ben ik de enige melkveehouder. Met mijn boerderij onderhoud ik niet alleen de koeien, maar ben ik ook verantwoordelijk voor het onderhoud van het landschap. Zo verzorg ik zeven tot acht kilometer aan singels.’ In het coulisselandschap zou een megastal niet passen, zegt Nijboer.

De Kamer en kabinet hebben in zijn ogen de verkeerde oplossing gekozen door fosfaatnormen op te leggen, vindt hij. ‘Wij hadden een plan B waarin we terug willen naar 2,3 stuks vee per hectare. Dan heb je de fosfaatnormen helemaal niet nodig. De uitwassen van de intensieve veehouderij met hun voer en mest zijn het echte probleem. We willen als grondgebonden boeren niet met hen over een kam worden geschoren.’

Nijboer hoopt dat er weer een boerenstand komt, die met respect omgaat met de omgeving. ‘Geen systeem waarin verzekeraars, investeerders en banken de macht hebben. We lijken wel moderne horigen te worden.’ Hij wil terug naar kleinere, onafhankelijke bedrijven, die gaan voor een lagere productie, meer gericht op afzet in de regio. Naast kleine boeren en provincies worstelen ook gemeenten met de intensieve veehouderij. Hoe de raad hierop invloed kan uitoefenen laat Hans Pelle zien. Hij protesteerde tegen de uitbreiding van een megastal in Geesteren nabij Borculo. 

Hoewel de provincie uiteindelijk moet oordelen over de vergunning voor megastal, vond Pelle een gaatje. De raad moet voor sommige vergunningen een zogeheten ‘verklaring van geen bedenkingen’ afgeven. Het college kwam anderhalf jaar na het stellen van schriftelijke vragen van Pelle in een bepaalde situatie erachter dat Pelle en de raad verkeerd waren geïnformeerd. De wethouder had inmiddels al tien vergunningen verstrekt zonder deze ‘verklaring van geen bedenkingen’ aan de gemeenteraad te hebben gevraagd. Dit leidde tot het vertrek van de wethouder. 

Pelle: ‘Het buitengebied is niet alleen voor boeren. Daarover gaat nu de discussie bij veel gemeenten: geef je de grond die vrijkomt doordat boerderijen stoppen aan andere boerenbedrijven of kies je een andere bestemming. Zoals natuur, dan hebben veel meer mensen er plezier van. Wij moeten geen tweede Brabant willen worden.’ 

De staatssecretaris 

Tot slot het woord aan staatssecretaris Martijn van Dam, die de dag na de verkiezingen terugkijkt op zijn tijd als staatssecretaris van EZ en zijn verhouding met de boerensector: ‘Ik ben deafgelopen 1,5 jaar heel bewust niet mee gegaan in het wij-zij verhaal. Ik denk dus ook niet in boeren versus burgers, het moet namelijk samen. Dat neemt niet weg dat het wel echt anders moet. Ons voedsel moet duurzamer, eerlijker en slimmer worden geproduceerd om voedselzekerheid in de toekomst te waarborgen en tegelijkertijd onze aarde heel te houden.’ 

Maar dat vraagt niet alleen iets van boeren, zegt Van Dam: ‘Die verandering kan je alleen niet op de zwakste plek in de keten - de boer - neerleggen, maar moet je met iedereen, inclusief consumenten, voor elkaar krijgen. Je kunt niet verwachten dat je meer vraagt van de boer en dat hij daar dan in zijn eentje voor moet zorgen. Veranderingen kosten geld en zijn dus lang niet altijd makkelijk te realiseren als je financieel amper ruimte hebt. Sommige extra eisen zullen we dus financieel moeten compenseren, andere zijn soms ook echt een kwestie van houding, flexibiliteit, durven en willen.’

Met vrienden als het CDA en VVD heb je geen vijanden nodig

Volgens Van Dam is het daarvoor wel belangrijk dat sommige boeren meer oog moeten hebben voor de consument. ‘De eisen die aan ons eten worden gesteld, worden steeds zwaarder en daar moet je als boer in mee. Of je dat nu leuk vindt of niet. Ik denk dat ik - en Sharon Dijksma voor mij - scherper voor het algemene belang zijn gaan staan. Ook als dat lastig was voor de boeren. Dat zie je bij beslissingen over gewasbeschermingsmiddelen, milieunormen en dierenwelzijn. Daarin zeil ik scherper aan de wind dan de CDA’ers en VVD’ers die hier voorheen zaten.’ 

Toch, net als de andere politici van PvdA-huize heeft hij te maken met die sterke lobby van rechts: ‘Met vrienden als het CDA en VVD heb je geen vijanden nodig. Die praten de sector vaak naar de mond waarmee de tegenstellingen tussen de boeren en burgers alleen maar groter worden. En dat is op termijn niet houdbaar.’En die wet over het aantal stuks vee per vierkante kilometer, waar Provinciale Staten en de Kamer om vragen, die probeert hij nog namens dit kabinet in te dienen. 

 

Afbeelding: Dolph Cantrijn | Hollandse Hoogte

Uit publicatie Lokaal Bestuur, Jaargang 41 nr. 1 April 2017
Reageer

Gerelateerde artikelen:

Jan Erik Keman

Boze boeren, steeds hogere mesthopen en de erfenis van Mansholt

Lees artikel

Jan Erik Keman

Neem de noordeling serieus

Lees artikel

Jan Erik Keman

Voorbij het eigen gelijk: het klimaatpact in Den Haag

Lees artikel