Deze website gebruikt cookies

Voor een volledige werking van de website worden cookies op uw computer gezet.
Daarnaast worden cookies geplaatst voor het bijhouden van bezoekersgedrag binnen Google Analytics, de werking van social media knoppen en reactiemogelijkheiden op blogberichten.
Wil je meer informatie over hoe www.lokaalbestuur.nl om gaat met uw privacy en welke cookies worden opgeslagen, lees dan ons cookiebeleid.

Inloggen mijn CLB

'Het is erop of eronder voor de sociaaldemocratie'

Kirsten Verdel

Op 24-jarige leeftijd werd Max van den Berg wethouder in Groningen. Op 1 april jl. nam hij op 70-jarige leeftijd afscheid van de actieve politiek als Commissaris van de koning in Groningen. In de tussentijd was hij partijvoorzitter, directeur van Novib en fractieleider in het Europees Parlement. Een imposante carrière en aanleiding voor Lokaal Bestuur om met hem in gesprek te gaan over zijn geleerde lessen en de staat van de sociaaldemocratie.

Je hebt bijna een halve eeuw ervaring in de politiek. Waar ben je het meest trots op en waarom?
Ik ben in heel uiteenlopende ambten actief geweest, dus het is niet zo makkelijk om snel iets te noemen. Maar de kern ligt voor mij toch in mijn beginperiode: de stadsvernieuwing van de oude wijken begin jaren ‘70 in Groningen is veelomvattend en baanbrekend geweest. Het betekende een einde aan het technocratisch denken zoals dat vorm had gekregen in de sociaaldemocratie na de wederopbouw. “Gooi de Utrechtse grachten maar dicht.” “Breek de Jordaan maar af.” Dat soort dingen werden geroepen onder het mom van “laat lucht en licht hier binnentreden.” Daarbij werd voorbijgegaan aan de betekenis van dergelijke woongebieden voor onze achterban. De gedachte dat de culturele kwaliteit behouden kon en moest worden ontbrak. Ik werd dan ook met grootschalige afbraakplannen geconfronteerd. Bestuurders, waaronder ikzelf, introduceerden in deze periode een nieuwe manier van denken over steden. We wisten dat te politiseren en gingen vanaf dag één de stad in om hierover met mensen te praten. Er waren grote zondagochtendsessies in de wijken, op scholen; we zaten overal. We groeiden als partij, omdat we verschillende lagen uit de bevolking hierbij wisten te betrekken. Het heeft lang geduurd, met name het verkeerscirculatieplan dat we bedachten, was erg controversieel, maar Groningen plukt hier nu nog steeds de vruchten van.’

Kan er anno 2016 nog op deze manier worden gewerkt?
‘Het is het enige dat werkt! Neem de aardbevingsproblematiek. Er kwamen scheuren in huizen, het werd onveilig, er ontstond grote onzekerheid. Je kunt dan twee dingen doen. Je kunt redeneren dat de NAM de schade heeft veroorzaakt en dus moet betalen. Die manier van denken is technocratisch. Het heeft niets te maken met waar het voor mensen over gaat: hoe ze zich voelen. De tweede en góede aanpak is: begin met dorps-, buurt- en regiovernieuwing waarbij je de inwoners aan de hand neemt. Laat hen bepalen wat het probleem is en hoe dat aangepakt moet worden. Want misschien denken zij wel veel verder vooruit dan alleen het repareren van scheuren. Als je het goed aanpakt, leg je de basis voor echte vernieuwing. Daar horen een wet Herstel Noord-Oost Groningen en financiering uit de aardgasbaten bij, net als destijds bij de stadsvernieuwing.’

Waarom kiest de politiek toch vaak voor de technocratische oplossing?
Overheden wijken moeilijk van hun pad af, omdat ze zich vaak vastbijten in de middelen. “Als het het beleid is om vinexwijken te bouwen, dan bouwen we vinexwijken”, ongeacht of dat beleid voortkomt uit draagvlak en wensen vanuit de bevolking. Daar is nu natuurlijk wel een ontwikkeling in. Overheden gaan meer tussen mensen staan en gedragen zich minder als de top van de piramide. Maar de werkelijkheid is erg complex, het blijft vaak zoeken. Uiteindelijk kun je altijd zeggen dat er politieke redenen zijn om iets te doen. Maar geef dan ruimte om te experimenteren, ook financiële ruimte, en bouw van daaruit een raamwerk dat ondersteunend is voor het proces.’

Verzandt dat in de praktijk niet vaak weer in processen waarin de techniek leidend is, in plaats van daadwerkelijke participatie?
Politici en ambtenaren vinden het soms moeilijk om los te laten, ze verschuilen zich achter regels en processen. Het kan dan helpen om het begrip ‘proeftuin’ te hanteren, dan lijkt dat loslaten makkelijker te gebeuren. En dan kunnen de opbouwwerkers en sociale raadslieden die in de jaren ‘70 een ondersteunende rol boden nu, soms onder andere benamingen, weer net zo'n rol spelen als toen.’

Dat is nu nog onvoldoende het geval?
Het is een moeizaam proces. Het is al heel wat als een politieke partij zichtbaar bereid is haar prioriteiten zo te stellen dat arme wijken bijvoorbeeld meer geld krijgen dan duurdere wijken. Daarmee krijg je natuurlijk ook tegenstanders, maar daar staan herkenbaarheid en geloofwaardigheid tegenover. De PvdA mag best trots zijn op het feit dat ze mededrager is geweest van dat vernieuwingsproces in de jaren ‘70. Daarna is de partij in de ogen van velen te regentesk en te veel van bovenaf sturend geworden, met daarbij het beleid dat woningbouwverenigingen de markt op moesten. Dat heeft veel mensen vervreemd.’

Bottom-up dus. Welke lessen heb je wat dat betreft voor lokale politici?
Probeer voor jezelf helder te hebben op welke vijf of zes thema's je iets wilt doen en vooral ook waarom je dat wilt. Zorg vervolgens dat je onderdeel wordt van bestaande netwerken op die thema's, of maak nieuwe als ze er nog niet zijn. Kijk waar mensen zitten die zich aangesproken voelen door jouw drijfveren. Probeer van hen een steungroep te maken en laat ze meedenken over voorstellen. Daardoor ontwikkelen zich oplossingen én krijg je zicht op andere mensen die je zou kunnen inschakelen.’

Een vorm van praktisch idealisme dus. Is dat typerend voor jou?
Ja, het is fijn als je je idealen concreet vorm ziet krijgen. De stadsvernieuwing toen en de voorgestelde oplossingen voor de aardbevingsproblematiek nu zijn van die concrete voorbeelden. Zelfs in het Europees Parlement lukte het concrete resultaten te boeken. Zo klaagden de werven bij Hoogezand-Sappemeer dat ze geen steun kregen van Economische Zaken. Toenmalig minister Brinkhorst van D66 zei dat er van de EU geen staatssteun mocht zijn. Wij gingen op werkbezoeken en spraken met andere parlementariërs in Brussel. Toen bleek dat dezelfde problematiek ook elders speelde, kon er wel steun komen, zolang het maar algemeen beleid was. Politiek is voor mij alleen interessant als het concreet is.’

Maar dus wel met ideologische waarden als uitgangspunt.
Ja, ik geloof heel erg in een project zoals Van Waarde, omdat daarbij verschillende afwegingen bediscussieerd worden. Daar is democratie voor, ook binnen een partij. Je moet leren compromissen sluiten, niet alleen met tegenstanders, maar ook onder elkaar. En je moet verbindend zijn. De PvdA is een partij met veel verleden en bereidheid tot maatschappelijke actie. In mijn periode was de grootste daarvan wellicht de actie tegen de kruisraketten, dat verbond zoveel mensen. Onze kracht was dat we erin slaagden een centrum te zijn van dat denken. Dat gaf het nodige gedonder in de sociaaldemocratische wereld in Europa, maar we werden er ook om gerespecteerd.’

Het lijkt soms wel of dat ideologisch denken niet meer mag?
Het is nodig om profiel te hebben en herkenbaar te zijn. Als je alleen om pragmatische redenen iets wilt, ben je een techneut. Je moet niet alleen vertellen wat je doet, maar ook waarom je het doet. Kortom: laat zien welke waarden achter je handelen schuilen.’

Veel kiezers lijken daar nu niet meer in te geloven. Ze horen de waarden aan, maar zien geen oplossingen in de praktijk.
Door de economische crisis moet er veel bezuinigd worden. Daartoe zijn compromissen gesloten met de VVD, die op veel punten haaks staan op wat wij zelf willen. Maar anders komen we er niet uit. Je moet hier eerlijk over zijn tegen je achterban. Zeg gewoon dat 60 procent van het kabinetsbeleid datgene is wat de PvdA binnen wilde halen en dat de rest ellende is.’

Gezien de peilingen lijkt eerlijkheid alleen niet voldoende.
Er komt een moment waarop je moet kijken: zijn we als partij te snel gegaan? Zijn we mensen kwijtgeraakt die we vast hadden willen houden? En wat gaan we daaraan doen bij de volgende verkiezingen?’

Namelijk?
De opgave bij de komende verkiezingen is om zowel qua programma als personeel ons eigen geluid voorop te stellen. We willen meer Van Waarde. En dus een minder neoliberale koers. We zullen daarmee niet iedereen terug kunnen halen. Het is erop of eronder voor de sociaaldemocratie.’

De PvdA moet terug naar haar roots?
Precies, ongeacht of dat nu vanuit oppositie of kabinet is. Maar áls je regeert, zorg dan wel dat het profiel in de Kamer dat van de PvdA is, en niet dat van het kabinet.’

Je gaf net aan dat de partij misschien te snel is gegaan. In welk opzicht?
Er werd bijvoorbeeld gesteld dat er te veel mensen in de sociale werkplaatsen zitten. Als je deze mensen wilt begeleiden naar regulier werk moet je dat wel eerst organiseren en regisseren. Je kunt zoiets niet van bovenaf dirigeren, er moeten wel banen zijn. En je moet mensen goed vragen wat ze zelf kunnen. Mensen zelf zijn de basis, niet jouw politieke plan van bovenaf. Hou daar rekening mee. En ja, dat vereist maatwerk, maar dat is dus nodig. Wie wil dit soort problemen nu zónder maatwerk aanpakken?’

Marktwerking, deregulering, privatisering, daar ben je geen fan van?
Nee. Ik ben een echte volkshuisvester en ik heb nooit begrepen dat de partij geaccepteerd heeft dat woningbouwverenigingen verzelfstandigden. Woningbouwverenigingen zijn een van onze maatschappelijke dragers van emancipatie geweest. Ik vind dat dat soort issues weer vermaatschappelijkt moeten worden.’

Wat is het belangrijkste dat je geleerd hebt in je politieke carrière?
Ik heb in Groningen de kans gekregen politiek te leren bedrijven. Ik leerde daar dat je een visie nodig hebt en die moet koppelen aan concrete handelingen. En ik heb geleerd te luisteren. Je moet niet je eigen zin doordrijven, maar de kracht uit de samenleving halen. Ik heb ook geleerd dat invloed uitoefenen tijd kost: je moet mensen leren kennen, ervaring opbouwen, meer gezag krijgen. En misschien bovenal als les voor een lánge politieke carrière: blijf nieuwsgierig. Als je dat niet meer bent, word je regent. Dan denk je dat je het allemaal wel weet. Dan zie je dat mensen zich toegesproken voelen in plaats van dat er mét ze gesproken wordt. De kunst om verbindingen te leggen zijn we als PvdA verleerd. Terwijl deze verbindingscapaciteit hét antwoord is van de sociaaldemocratie.’

Wat ga je absoluut níet missen aan de politiek?
Dat ik op elk onverwacht moment met een crisis geconfronteerd kon worden die ik ter plekke op moet lossen.’

Wat doe je nu, of wat ga je doen?
Ik ben voorzitter van de kandidaatstellingscommissie voor de Tweede Kamerverkiezingen, dus echt weg ben ik niet. Ook hou ik me nog bezig met FC Groningen in de maatschappij. Ongetwijfeld ga ik de komende tijd nog veel meer doen, maar de rust die ik nu heb, is wel even heerlijk.’

Afbeelding: Hollandse Hoogte/Siese Veenstra

Uit publicatie Lokaal Bestuur, Jaargang 40 nr. 2 Juni 2016
Reageer