Deze website gebruikt cookies

Voor een volledige werking van de website worden cookies op uw computer gezet.
Daarnaast worden cookies geplaatst voor het bijhouden van bezoekersgedrag binnen Google Analytics, de werking van social media knoppen en reactiemogelijkheiden op blogberichten.
Wil je meer informatie over hoe www.lokaalbestuur.nl om gaat met uw privacy en welke cookies worden opgeslagen, lees dan ons cookiebeleid.

Inloggen mijn CLB

Gemeente moet macht inleveren

Jan Chris de Boer

Burgerinitiatieven zijn van alle tijden, maar vooral de laatste jaren zien we ze steeds meer. Heeft dat te maken met de tijdgeest? Met de terugtredende overheid? Of met de grote bezuinigingen die rijk, provincies en gemeenten doorvoeren? Hoe dan ook, feit is dat gemeenten niet goed weten hoe om te gaan met burgerinitiatieven en -participatie. ‘Wil je de kans op slagen substantieel groter maken, dan moet je bereid zijn macht in te leveren.’

Welzijnswerker Margreet Warring onderzocht vijftig geslaagde projecten, verspreid over het land, op het gebied van burgerinitiatief en burgerparticipatie en legde dit vast in haar rapport Good Practices Nieuw Burgerschap. Ze keek vooral naar de factoren die tot het succes hebben geleid. Warring deed dit in opdracht van de gemeenten Bellingwedde, Menterwolde, Oldambt, Pekela, Stadskanaal, Veendam en Vlagtwedde. Deze Oost-Groninger gemeenten willen namelijk een eigen model ontwikkelen waarin wordt vastgelegd hoe om te gaan met initiatieven en participatie van burgers. Het rapport sluit aan bij het Regionaal Woon- en Leefbaarheidsplan Oost-Groningen Van Krimp naar Kwaliteit.

Warring: ‘Burgerinitiatieven zijn er altijd wel geweest, maar burgerparticipatie is de laatste tijd behoorlijk in opkomst. De betrokken gemeenten wilden weten hoe ze daar het beste mee om kunnen gaan. Na de Tweede Wereldoorlog is de verzorgingsstaat opgebouwd en nu wordt die beetje bij beetje afgebroken. De overheden krijgen meer en meer een facilitaire rol in plaats van een verzorgende. Er is, met andere woorden, een transitie gaande van verzorgingsstaat naar participatiestaat. Red je je niet meer met je huishouding, dan stond er nog niet zo lang geleden een legertje verzorgenden voor je paraat. Nu wordt gevraagd: wie kan je helpen? Er is een duidelijke kentering te zien. Wie weet is het over veertig, vijftig jaar heel normaal dat pa en moe op hun oude dag intrekken bij hun kinderen.’

 Minder overheid

De laatste jaren zijn er veel coöperaties ontstaan. Bijvoorbeeld op het gebied van leefbaarheid en zorg, maar ook coöperaties op het gebied van zonne- en windenergie (zie het juninummer van Lokaal Bestuur). Is de toename van burgerparticipatie het gevolg van de tijdgeest, de terugtredende overheid of de bezuinigingen? Alle drie spelen een rol, meent Warring. ‘De energie- en zorgcoöperaties zijn vooral ontstaan omdat mensen niet langer afhankelijk willen zijn van grote organisaties met bestuurders die enorme bedragen verdienen en managers die weten wat goed is voor de mensen. Het adagium momenteel is minder overheid. Daar is kritiek op, maar je ziet ook dat veel mensen zelf de regie willen voeren. Die willen zich niet laten betuttelen door de overheid. En ook bezuinigingen spelen een rol. Verloedert een wijk of dreigt een voorziening zoals een buurthuis te verdwijnen, dan komen de mensen in actie. In die gevallen is participatie vaak het gevolg van frustratie.’

Geslaagd

Als de meest opvallende en geslaagde vormen van burgerinitiatief en -participatie noemt Warring twee voorbeelden uit Brabant: de Coöperatie Dorpswelzijn Sterksel (een dorp in de gemeente Heeze-Leende, daarover meer in het kader) en de Dorpscoöperatie Esbeek (gemeente Hilvarenbeek). ‘De coöperatie in Esbeek is ontstaan toen de laatste dorpskroeg zou gaan sluiten. De inwoners zouden daardoor geen plek meer hebben om samen te komen. De coöperatie is het café gaan exploiteren. Niet zozeer als café, maar meer als multifunctioneel centrum. Bijna iedereen in het dorp is aandeelhouder geworden. Dit initiatief kreeg ook een mooie spin off. Geconstateerd werd dat de jongeren wegtrokken uit het dorp, waarop de coöperatie het initiatief nam om twaalf starterswoningen te bouwen. Die zijn inmiddels verkocht aan twaalf jonge gezinnen. Opvallend bij dit project was dat de gemeente Hilvarenbeek zich zeer terughoudend heeft opgesteld. De gemeente had een houding van laat maar zien wat je kunt. En dat is precies de juiste houding. De mensen in Esbeek wisten wat ze wilden en door de opstelling van de gemeente nam de motivatie alleen maar meer toe. Het multifunctioneel centrum en de twaalf woningen zijn als het ware van hen en niet van de gemeente.’

Niet star zijn

Veel gemeenten kunnen wat dit betreft een voorbeeld nemen aan Hilvarenbeek, meent Warring. ‘Wil je de kans op slagen substantieel groter maken, dan moet je bereid zijn macht in te leveren. En dat zit bij veel ambtenaren en bestuurders nog niet tussen de oren. Bovendien moet je niet te star zijn als het gaat om burgerinitiatieven. Een voorbeeld dat hier bij past gaf de Ombudsman van de Vara. Een jongen wil in plaats van een uitkering liever begeleiding naar werk. Dat kon niet zolang hij geen uitkering aanvroeg, zei een ambtenaar. Uiteindelijk heeft hij toch maar een uitkering aangevraagd. Dit geeft aan dat er nog steeds in systemen wordt gedacht, maar dat levert geen tevreden mensen op. Soms is het goed af te wijken van de protocollen.’

Faalkans

In haar rapport somt Warring dus vijftig geslaagde projecten op, maar het gaat ook wel eens mis. Wat zijn de valkuilen? ‘Gaandeweg kwam ik er achter dat je als je de succesfactoren omdraait, automatisch bij de faalfactoren uitkomt. Luister écht naar je burgers. Doe je dat niet, dan is de kans op falen heel groot. Als van hogerhand wordt gezegd: we doen het iets anders, ook dan is er een grote faalkans. Daarnaast: practice what you preach. Woorden als burgerinitiatief en burgerparticipatie klinken verheffend in mooie rapporten, maar je moet ze als gemeente natuurlijk ook waarmaken. Bij elk voorstel moeten de ambtenaren nadenken over de rol die de burgers kunnen spelen. Dat moet een routine worden. En er moet vooral vertrouwen in de kennis en kunde van de burgers ontstaan. Daarbij is het belangrijk om goed te luisteren en de tijd te nemen om elkaar te leren kennen. De burgers denken vanuit hun eigen wereld, de overheden denken in systemen. Dat laatste is bepaald niet altijd de beste oplossing voor individuen. Gemeenten moeten hun eigen rol, hun houding, hun regels ter discussie durven stellen. Ruimte durven geven in procedures en regels. Als je je burgers redzamer wilt maken, geef ze dan ook een deel van je macht: geef de participanten, als dat nodig is, een zak geld en de sleutels. Laat hen weten dat zij de baas zijn en dat je vertrouwen in ze hebt.’
Eind vorig jaar had Warring haar rapport afgerond. Hoe is er door de zeven Oost-Groninger gemeenten op gereageerd? ‘Zeer positief. Al zijn de gemeenten wel tot het oordeel gekomen dat een model, een blauwdruk, niet werkt. Elk burgerinitiatief en elke burgerparticipatie is uniek en vereist dan ook een eigen aanpak. Prima wat mij betreft.´

Tips voor raad en college

In haar rapport Good Practices Nieuw Burgerschap geeft Margreet Warring een aantal tips voor raads- en collegeleden. De belangrijkste, wat haar betreft:

-      Erken dat de verzorgingsstaat z’n langste tijd gehad heeft
-      Sta open voor wat de burgers willen en luister vooral heel goed
-      Omarm elk initiatief, ook al past het niet binnen het beleid
-      Heb vertrouwen in de mensen en wees niet leidend of sturend
-      Beperk je tot ondersteunen en faciliteer als daarom gevraagd wordt
-      Trek het project beslist niet naar je toe. Neem het dus niet over van de initiatiefnemers
-      Wees niet paternalistisch (wij weten wat goed voor u is)
-      Denk niet teveel in systemen, maar zie het project als een organisch proces
-      Wees niet te star wat betreft regels en procedures want dat werkt ontmoedigend

Meer weten? Het rapport van Margreet Warring is te vinden op www.vankrimpnaarkwaliteit.nl/files/2012/10/inventarisatie-good-practices.pdf.

Coöperatie Dorpswelzijn Sterksel

Tot verrassing van de inwoners van het Noord-Brabantse Sterksel (gemeente Heeze-Leende) bleef de deur van de enig overgebleven kruidenier in het dorp na nieuwjaarsdag 2002 gesloten. De invoering van de euro per 1 januari 2002 had er niets mee te maken. De eigenaar, die al een bijbaan als postbesteller had genomen, verkocht onvoldoende om er van te kunnen leven. Zijn kruideniersbedrijf was in de loop der jaren een winkeltje voor vergeten boodschappen geworden.
Een aantal inwoners kwam in het geweer, want een kruidenierswinkel in het dorp was toch belangrijk voor de leefbaarheid. Er werd een werkgroep gevormd met vertegenwoordigers van bijna alle verenigingen in het dorp. Die hield als eerste een enquête onder de 1.200 inwoners en daaruit bleek dat 68 procent graag een heropening van de winkel zag en dat 73 procent beloofde er dan meer boodschappen te zullen doen.
De werkgroep benaderde vervolgens een aantal grootgrutters en ging uiteindelijk met de Spar, traditioneel ook gericht op kleine winkels, in zee. De Spar zag wel mogelijkheden, maar dan moest de winkel wel voornamelijk op vrijwilligers draaien. Het leidde tot de oprichting van Coöperatie Dorpswelzijn Sterksel, die vervolgens certificaten uitgaf om zo de inwoners van Sterksel sterker aan het winkelproject te binden. De toenmalige voorzitter, Rien Huysmans, was de drijvende kracht. Huidig coöperatievoorzitter Jos Hendriksen: ‘Zijn motto was: ‘Willen we een winkel, dan krijgen we een winkel’.’

Boodschappendienst

Via de verkoop van certificaten, een bijdrage van de Rabobank en een subsidie van de provincie kwam er zo’n 70.000 euro beschikbaar. Eenzelfde bedrag werd geleend en daarmee kon in de loop van 2003 de winkel worden heropend. Rond de twintig procent van de inwoners van Sterksel is daarna de boodschappen gaan doen in de coöperatieve winkel en zo’n 50 procent haalt er de vergeten boodschappen.
Tien jaar na de start is er volgens Hendriksen heel wat gebeurd. ‘Vrij vlot na de heropening liep de omzet weer terug. De winkel had een kleine vloer, dus een beperkt assortiment. In het centrum van ons dorp werd een nieuw complex opgeleverd met op de begane grond bedrijfsruimten en daarboven appartementen. De woningbouwcorporaties mochten toen nog investeren in projecten die de leefbaarheid ten goede kwamen en zo gebeurde het dat we 300 vierkante meter konden huren tegen een bepaald niet-commercieel tarief. Zo konden we ons assortiment uitbreiden.’
Aan de nieuwe winkel werden ook andere voorzieningen toegevoegd, zoals een postagentschap, een stomerij en een drogisterij. Bovendien kwam er, zoals Hendriksen dat noemt, een ‘omgekeerde boodschappendienst’. ‘We brengen geen boodschappen thuis, maar halen met een busje mensen op en brengen ze daarna met hun boodschappen weer thuis. Dat doen we om te voorkomen dat mensen de hele dag min of meer gedwongen thuis moeten zitten. In de winkel kunnen ze hun sociale contacten aanhalen.’

Afzijdig 

De gemeente heeft zich bij de ontwikkeling van het project volledig afzijdig gehouden. ‘We hadden de gemeente ook niet nodig, maar ze stond wel voor 100 procent achter ons project.’ Doel is nu om ook de komende tien jaar de winkel in de benen te houden. Volgens Hendriksen gaat dat lukken: ‘We hebben één betaalde kracht, de bedrijfsleider. Voor de rest hebben we vijftig vaste vrijwilligers, onder wie mensen met een licht verstandelijke beperking die in het kader van de dagbesteding bij ons werken. Dit grote aantal vrijwilligers, dat is samen met de binding van bewoners door de uitgifte van certificaten onze kracht.’ 

 

Uit publicatie Lokaal Bestuur, Jaargang 37 nr. 9 September 2013
Reageer