Deze website gebruikt cookies

Voor een volledige werking van de website worden cookies op uw computer gezet.
Daarnaast worden cookies geplaatst voor het bijhouden van bezoekersgedrag binnen Google Analytics, de werking van social media knoppen en reactiemogelijkheiden op blogberichten.
Wil je meer informatie over hoe www.lokaalbestuur.nl om gaat met uw privacy en welke cookies worden opgeslagen, lees dan ons cookiebeleid.

Inloggen mijn CLB

Einde voor zondagsrust?

Ton Langenhuyzen

De Zondagswet zorgt er tot nu toe voor dat op zondagen de rust - met name voor kerkgangers - niet verstoord wordt door zogenaamde ‘openbare vermakelijkheden’. Een meerderheid van de Kamer vond al in 2012 dat de wet niet meer van deze tijd was. Toen werd er - met steun van de PvdA - een motie aangenomen waarin de regering werd gevraagd de Zondagswet in te trekken. Net zoals in het geval bij de discussie over koopzondagen vond en vindt de PvdA dat gemeenten zelf moeten kunnen bepalen wat zij met betrekking tot de zondagsrust vastleggen. Een wet is daarvoor niet nodig. Zij kunnen zelf regels stellen om lawaai rond kerken of mogelijke overlast van sport en ontspanning op zondag in te perken.
Minister Plasterk was aanvankelijk geen voorstander van het intrekken van de Zondagswet. Hij was van mening dat - hoewel de Zondagswet in de praktijk weinig wordt toegepast - het voor ‘sommige bevolkingsgroepen nog wel een belangrijke symbolische waarde heeft’ en dus beter in stand kon blijven. Toen tijdens het algemeen overleg bleek dat een meerderheid van de Kamer vasthield aan het intrekken van de Zondagswet zegde de minister toe hiermee aan de slag te gaan. Dat kan niet op stel en sprong gebeuren. Voor het intrekken van een wet is een intrekkingswet nodig. Een dergelijke wet doorloopt hetzelfde traject als alle andere wetten. Dat houdt ook in dat er een consultatieronde komt  waarin alle betrokken partijen, zoals kerkgenootschappen, de kans krijgen hun mening te geven.

Doel misdaadbestrijding heiligt niet ieder middel
In de strijd tegen misdaad moet  de wetgeving rond computercriminaliteit steeds worden aangepast. De Wet Computercriminaliteit III is net bij de Tweede Kamer in behandeling genomen. Daarin staan uiteenlopende voorstellen. Zo moet de politie de mogelijkheid krijgen om in het geval van ernstige delicten ‘heimelijk en op afstand’ (online) onderzoek te doen in ‘een geautomatiseerd werk’ (computers, servers, mobiele telefoons). Vanwege de impact op de privacy en veiligheid van het internet en de internetgebruiker is dit het meest controversiële deel van dit wetsvoorstel. Jeroen Recourt heeft daarover in de schriftelijke ronde kritische vragen gesteld. Hij begrijpt dat een dergelijke bevoegdheid nuttig kan zijn, maar zet kanttekeningen bij de noodzaak. Het doel van misdaadbestrijding heiligt niet ieder middel. Recourt dringt onder andere aan op een goede toets waarmee vooraf de noodzaak van het op afstand in een computer inbreken wordt beoordeeld.
Verder gaat het wetsvoorstel - eindelijk - online handelsfraude strafbaar stellen. Daarmee wordt het op grote schaal of bedrijfsmatig aanbieden van goederen via internet, maar die niet leveren, strafbaar. Tot nu toe kan iemand, bijvoorbeeld via een site zoals Marktplaats, goederen te koop aanbieden, zich vooraf voor de verkoop laten betalen en vervolgens het goed niet leveren. De gedupeerde koper dient zich dan tot de burgerlijke rechter te richten in hoop de verkopende partij op grond van wanprestatie te laten veroordelen, maar je goed of geld terugkrijgen valt vaak niet mee. De verkoper is meestal allang van Marktplaats af en nauwelijks meer te achterhalen. Het wetsvoorstel introduceert nu het strafrecht voor verkopers die zich op grote schaal aan dergelijke praktijken schuldig maken. Via het strafrecht zijn er meer mogelijkheden om de frauderende verkoper te achterhalen en te straffen.

Afbeelding: Hollandse Hoogte/Jaco Klamer

ton_1.pngDeze rubriek wordt samengesteld door Ton Langenhuyzen (beleidsmedewerker Tweede Kamerfractie) 

Contactgegevens Ton:
T. 070-3182792
M. t.langenhuyzen@tweedekamer.nl

Uit publicatie Nieuwsbrief, 14 maart 2016