Deze website gebruikt cookies

Voor een volledige werking van de website worden cookies op uw computer gezet.
Daarnaast worden cookies geplaatst voor het bijhouden van bezoekersgedrag binnen Google Analytics, de werking van social media knoppen en reactiemogelijkheiden op blogberichten.
Wil je meer informatie over hoe www.lokaalbestuur.nl om gaat met uw privacy en welke cookies worden opgeslagen, lees dan ons cookiebeleid.

Inloggen mijn CLB

Buigen of bijten. De tragiek van het horig burgerschap

Menno Hurenkamp

Zowel rond de bestuurlijke herindeling van Nederland (minder gemeenten, minder provincies) als rond de decentralisatie van de verzorgingsstaat (WMO, participatiewet, jeugdzorg) handelt de overheid vanuit de verwachting dat burgers eens wat meer voor de samenleving moeten gaan doen. Al die zorg en ondersteuning, daar mag best wat tegenover staan. En van die burger kán ook best wat worden gevraagd: waar men ook kijkt ziet men burgerinitiatieven, wijkbijeenkomsten, buurtraden en vrijwilligers. Bovendien is inderdaad het opleidingspeil van de burgerij enorm gestegen, de afgelopen decennia. Meer mensen kunnen ingewikkelder problemen oplossen.

Het bestuurslingo van ‘loslaten’, ‘vertrouwen geven’ en ‘ruimte bieden’ is daarom niet helemaal misplaatst. Met een beetje vrijheid organiseren al die hoger opgeleide, tamelijk geëngageerde mensen zichzelf in wat ik eerder genoemd heb ‘lichte gemeenschappen’. Ze barbecueën samen, brengen de buurvrouw een maaltijd, praten mee over hoe je met vrijwilligerswerk de oude bibliotheek vervangt, en ondernemen voorts nog eens allerlei ontplooiende en ontspannende activiteiten in verbanden die overwegend gekenmerkt worden door het recht die gemeenschappen weer te verlaten. Deze maken veel traditionele of zware instituties minder nodig en dat biedt inderdaad ruimte voor de overheid om zo het een en ander aan zelforganisatie over te laten, om de verzorgingsstaat wat uit handen te geven.

Alleen zijn die lichte gemeenschappen bij nader inzien tamelijk keurige verbanden. Zo hier en daar borrelt soms protest op (tegen de euro, een cao of tegen een herstructureringsoperatie) maar verreweg de meeste van die mondige burgers steken verreweg het grootste deel van hun tijd in het helpen van anderen of het helpen van de overheid. Van hardloopclubjes tot internetfora, van buurtraad tot garagekerk, men organiseert zich op sociale gronden, en met een impliciet voorbehoud dat vertrek uit de gemeenschap legitiem is, wanneer men het te druk krijgt met andere dingen of wanneer men simpelweg geen zin meer heeft. Het moet wel leuk blijven.

Bestuur in samenhang

Het is precies op dit gedrag dat bijvoorbeeld het ministerie van Binnenlandse zaken anticipeert in de recente nota ‘Bestuur in samenhang’. Aan de ene kant dus inderdaad door ‘ruimte te bieden’. ‘Er ontstaan nieuwe vormen van burgerinitiatieven, met taken die variëren van groenvoorziening tot sport, vrijwilligersparticipatie in lokaal openbaar vervoer, natuurbeheer, erfgoedbeheer en collectief particulier opdrachtgeverschap bij nieuwbouw’, schrijft Ronald Plasterk in zijn nota. ‘Deze taken zijn meestal niet gepolitiseerd langs lijnen die per se parallel lopen met de onderscheiden politieke partijen, en het gaat vaak meer om uitvoering dan beleidskeuzen, zodat er geen dwingende noodzaak is tot een representatieve democratie op dit niveau. Wel is het gewenst dat het openbaar bestuur een open oog heeft voor burgerinitiatieven, en die ondersteunt, faciliteert en ruimte geeft (soms door minder regels, of door actief deeltaken uit handen te geven)’.

Aan de andere kant wil de minister meer dorps- en wijkraden laten ontstaan als democratisch antwoord op de opschaling van gemeenten en provincies. ‘Daarbij is het nadrukkelijk niet de bedoeling om een nieuwe bestuurslaag te creëren. Dergelijke raden zijn niet dualistisch maar monistisch samengesteld (dus niet een “college” en een “oppositie”). Ze beschikken over beperkte bevoegdheden die vooral burgernabije zaken betreffen en aan hen zijn gedelegeerd door het gemeentebestuur. Directe verkiezingen kunnen wel, maar hoeven niet. Ze zijn verantwoording schuldig aan het gemeentebestuur.’

Van beide, zowel burgerinitiatieven als dorpsraden, erkent het departement dat het meedenkende, adviserende, lokaal georiënteerde clubs zijn, die vooral bezig zijn met hoera-onderwerpen als leefbaarheid en zorgzaamheid.
Ondersteunen (van mensen of processen) is een stuk belangrijker dan representatie van een achterban, selectie van uiteenlopende opvattingen, of om nog maar eens een groot woord te gebruiken, strijd om het goede leven. Het moet immers wel leuk blijven. De hierboven gebruikte uitdrukking ‘burgernabije zaken’ suggereert dat burgers Tom Poes-achtige pleasers zijn, die altijd een list achter de hand hebben om Bommel en Dickerdack weer uit de rotzooi te helpen. Burgers die met frisse energie door het glooiende, groene landschap gaan dat ‘kenniseconomie’ of ‘verzorgingsstaat’ heet; dan weer maatjes met een eenzame medeburger en dan weer fluks een stevige knuist uitstekend om een moeilijk lopende oudere te behoeden voor een aanrijding door een koets, pardon, voor een virusinfectie op zijn i-Pad. Burgers zijn volgens de Nederlandse overheid helpers, geen beslissers.

Tegenmacht

De beweging die probeert de sociale sector rond noties als ‘eigen kracht’ en ‘samenredzaamheid’ nieuw leven in te blazen, lijdt een beetje aan hetzelfde euvel. Noties als macht en tegenspraak zijn in de ogen van die beweging een stuk minder belangrijk dan de noodzaak dat er achter de voordeur van een overlastgever wordt ingegrepen of dat iemand bevrijd wordt van een overmaat aan hulpverleners. Krachtig interveniëren, uitgaan van het lokaal aanwezige talent en alle dossiers van een cliënt of gezin in één hand, is het devies. Dat er dan dus één iemand resteert die een flinke vinger in de pap van de hulpbehoevende burger heeft, blijft vaak wat op de achtergrond. Net als dat er natuurlijk nog steeds mensen de baas zijn wanneer het buurtwerk niet meer draait om wat de gemeente of het welzijnswerk wil maar om ‘burgerkracht’. Alleen vergt het soms een wat geoefender oogopslag om die baas op te sporen.

In dit perspectief is het niet overdreven terug te gaan naar de kern van burgerschap. Burgers zijn mensen die uit hun midden andere burgers aanwijzen om hen een tijdje te besturen. Burgers zijn blij dat ze het besturen zelf niet hoeven te doen en koesteren hun wantrouwen ten opzichte van de bestuurders, want die zouden er eens met de kas vandoor kunnen gaan of zomaar een ander land de oorlog verklaren. Burgers zijn kritische, zelfdenkende, ‘politieke’ wezens, trots dat ze horig zijn aan geen meester dan het permanent ter discussie staande collectief. Maar trots, kritiek en politiek komen er bekaaid af in het huidige gesprek over participatie. Het burgerlijke ‘het wel leuk moet blijven’ overlapt met het overheidsidee dat burgers moeten 'helpen, niet zeuren', en beide passen weer goed in machtsvrije academische verhalen over de ‘samenleving als netwerk’, waarin er zogenaamd geen bazen en bovenbazen meer bestaan. Opvattingen over democratisch tegenwicht of tegenmacht komen al met al nauwelijks ter sprake.

Horig burgerschap

Dat zien we ook elders. Neem politieke partijen. Die functioneren meer en meer als selectiemechanismen voor bestuurders, niet voor ideeën. Of neem het middenveld. Denk aan scholen, woningcorporaties en universiteiten en al die andere instellingen waar men het ene moment overheidsopdrachten uitvoert (studenten door hun studie jagen) en het andere moment markttaal uitslaat (bestuurders met prestatiebeloning), maar waar men nog maar zelden het idee heeft namens een achterban te spreken of een maatschappelijke opdracht te hebben. En waar inspraak en tegenspraak allang bij het grofvuil zijn gezet als gedachtengoed van de perfide jaren zestig of zeventig. Participatie dreigt zo te worden verbasterd tot het enerzijds zo nu en dan verkiezen van moeilijk op inhoud te onderscheiden gezagsdragers en anderzijds het medeverantwoordelijkheid dragen voor beleid dat niet altijd op even duidelijke grondslagen tot stand is gekomen.

Er lijkt horig burgerschap te ontstaan, waarbij mensen het gezag en hun schatplichtigheid daaraan eerder als vanzelfsprekend ervaren dan als iets dat bevraagd moet worden, en men voor het gezag buigt totdat men het wil bijten - en dan dus populistisch stemt. Dat veel burgers de voorkeur geven aan informele structuren of lichte gemeenschappen valt hen niet te verwijten, en dat die informele structuren eerder dienstbaar zijn aan een complex en vernetwerkt bestuur dan zich strijdbaar opstellen in het publieke domein is ook tot op grote hoogte logisch. Maar dat de taal van de politiek en de staat niet in stand gehouden wordt, dat kan politici wel verweten worden. Waar zijn de pogingen om inspraak nieuw leven in te blazen, waar leeft het bewustzijn dat tegenspraak creativiteit genereert, waar leeft nog het idee dat ook dwarsliggers en zeikerds een of andere vorm van status verdienen in plaats van hen te beschouwen als tokkies die met huisbezoek tot de orde geroepen moeten worden.

Normale mensen vinden veel dingen veel belangrijker dan politiek, dus ze rooien het tot nader order wel zonder antwoord op die vraag. Maar er zit een gedeelde noemer in de aarzelingen die ze hebben over Europa en Brussel, over abstracte noties als het publiek belang, over de legitimiteit van politieke partijen, over ‘met mij gaat het goed, met de samenleving slecht’. Die gedeelde noemer is een sleetse democratische cultuur. Er wordt van alles ‘vernieuwd’, maar ondernemingsraden, stadsdeelraden, leerlingenraden, cliëntenraden en allerlei andere vormen van dialoog worden vooral meewarig bekeken en het gesprek over nieuwe vormen van inspraak en tegenspraak wordt meestal platgeslagen met trefwoord ‘internet’.

Niet lekker bezig

Zowel ons bestuur als onze verzorgingsstaat zijn historisch en cultureel verknoopt met onze democratie. Die dingen komen niet uit een boekje, maar uit botsingen van soms wel honderden jaren oud. Als je aan de eerste twee gaat morrelen, zonder een idee te hebben wat je ongeveer van de derde verwacht, ben je ‘niet lekker bezig’, om een modieuze uitdrukking te gebruiken. Als ambachtsman niet, omdat een goed politicus een verhaal over democratie moet hebben. Maar ook maatschappelijk niet, omdat het onderwerp onder al die informeel georganiseerde burgers ook maar moeizaam tot uitdrukking komt; moderne burgers bouwen websites of alternatieve stroomcentrales, maar van debatten over participatie of representatie of burgerschap houden ze zich in principe verre.

Als gevolg van dit alles bestaat bij de decentralisaties en bestuurlijke hervormingen nog te weinig gevoeligheid voor het feit dat in informele verhoudingen, waar de regering veel van verwacht, grote monden het winnen van kleine; dat er leuke en vervelende, makkelijke en moeilijke varianten van hulp en ondersteuning zijn, en dat slimme mensen daar sneller en beter in kiezen dan minder slimme mensen; dat gemeenteraden en zeker ook dorps- en wijkraden door bepaalde mensensoorten wél en door andere níet bevolkt worden. De democratie is altijd imperfect, werk in uitvoering, maar de duidelijke voorkeur van mensen voor ‘doen’ boven ‘praten’ die uit het horige burgerschap spreekt, rechtvaardigt ambitieuze kritiek. Wie het regeerakkoord leest, treft echter eerder wat aarzeling over de traditionele democratie (minder stemrecht voor migranten, minder ambtsdragers op lokaal niveau) dan de overtuiging dat het zoeklicht op nieuwe participatie en zelfbestuur moet.

Drie suggesties

We kunnen ons natuurlijk terugtrekken op de egelstelling dat mensen liever een goed salaris dan zeggenschap hebben. We kunnen zeggen dat zolang men nog in zo groten getale opkomt bij verkiezingen er met de kern van het vertrouwen in het politieke systeem weinig mis is - kortom, dat horigheid een product van welvaart is. In het huidige tijdsgewricht profiteren populistische partijen daar meer van dan de maatschappij. Op drie niveaus daarom een suggestie. Macro: een scherper onderscheid tussen sociaaleconomische ongelijkheid, die tot op zekere hoogte dragelijk is, en politieke ongelijkheid, die ondraaglijk is. Het deugt nooit, wanneer vrouwen, migranten, ouderen of jongeren geen entree hebben tot een discussie die hen raakt. Het verstrekken van lokale subsidie zou eerder van grotere politieke gelijkheid afhankelijk moeten worden gemaakt dan van een bijdrage aan de sociale cohesie, eerder naar clubs of netwerken moeten die voor meer zelfstandige mensen zorgen dan naar clubs die voor een nette buurt zorgen. Meso: Organisaties die geld van de overheid krijgen moeten over achterbannen of cliënten spreken, maar nooit over klanten. Dat is geen ‘taaldingetje’, maar een boodschap die bijvoorbeeld woningbouwcorporaties opnieuw zal laten nadenken waarom ze op aarde zijn. Meer dan het stellen van grenzen aan salarissen zal het duidelijk definiëren van doelen en middelen helpen om ontspoorde middenveldorganisaties weer een eigen plek te geven. Micro: een steviger verdediging van oude en nieuwe praktijken van inspraak en representatie: er moet eerder meer status (en dus wellicht inkomen) naar mensen die daar tijd in steken dan minder. Wanneer wethouders, raadsleden, ministers en Kamerleden ophouden te schamperen over elkaars vak, wordt de rol van de politiek in de maatschappij weer wat helderder en wordt het wat aannemelijker dat burgers die rol ook zo nu en dan willen spelen, in hun eigen omgeving.

Uit publicatie Lokaal Bestuur, Jaargang 37 nr. 9 September 2013
Reageer