Deze website gebruikt cookies

Voor een volledige werking van de website worden cookies op uw computer gezet.
Daarnaast worden cookies geplaatst voor het bijhouden van bezoekersgedrag binnen Google Analytics, de werking van social media knoppen en reactiemogelijkheiden op blogberichten.
Wil je meer informatie over hoe www.lokaalbestuur.nl om gaat met uw privacy en welke cookies worden opgeslagen, lees dan ons cookiebeleid.

Inloggen mijn CLB

Vijf vragen aan... Otwin van Dijk

15 september 2016

 

7581748320 7b93e0b9c5 z

I2012 werd Otwin van Dijk parlementariër. De geliefde, rustieke omgeving van de Achterhoek ruilde hij in voor de jachtige vierkante kilometer, die het Binnenhof heet. Met succes, in mum van tijd ontpopte Van Dijk zich tot een van de meest zichtbare en effectieve Kamerleden van de PvdA-fractie. Desondanks nam hij op 5 juli afscheid en meldde hij zich nog geen drie dagen later in de Achterhoek. Ditmaal niet in Doetinchem, maar in de Oude IJsselstreek, en niet voor het wethouder-, maar voor het burgermeesterschap.

 

1. Voor de buitenwacht kwam je afscheid nogal onverwacht. Waarom heb je deze stap gezet?

‘Toen ik naar Den Haag kwam, had ik een duidelijke missie. Ik wilde een aantal zaken waar ik als wethouder tegen aanliep anders regelen. Je kan in de gemeente veel, maar de wetten worden in de Kamer gemaakt. Zo verliep de samenwerking tussen gemeenten en zorgverzekeraars door allerlei starre wetgeving ronduit slecht. En was het mij een doorn in het oog, dat we als een van de weinige landen nog steeds niet het VN-Gehandicaptenverdrag hadden getekend. Eigenlijk gênant, maar 21 januari lukte het toch. Ik wil niet zeggen dat alles van mijn lijstje is afgevinkt, maar we zijn een eind gekomen.

Hoe interessant het Binnenhof ook is, het blijft een wereld op zich. Agenderen en jezelf afzetten tegen de rest lijkt soms wel belangrijker dan het uiteindelijke resultaat. Zeker in de beeldvorming lijkt er een aversie tegen het compromis te bestaan. Ook ikzelf ging daarin mee. Uiteraard moet de kiezer weten waar je voor staat, maar minstens even belangrijk is het om te luisteren naar wat de andere partijen te melden hebben en er op basis daarvan samen uitkomen. Voor mij is dat de essentie van politiek, en dat pragmatische polderen lukt nu beter in de gemeente dan in de heksenketel van de landelijke politiek.’

 

2. De laatste tijd is er veel kritiek op Kamerleden die hun periode niet uitzitten, begrijp je dat?

‘Ja, absoluut. Kamerlid ben je in principe voor vier jaar. Als gekozen volksvertegenwoordiger draag je een behoorlijke verantwoordelijkheid, dus je moet wel een hele goede reden hebben eerder te stoppen, vind ik. Na veel wikken en wegen heb ik gekozen om het wel te doen. Als je puur naar het komende half jaar kijkt, zie je dat er nog maar weinig op de agenda staat. De belangrijkste hervormingen zijn al doorgevoerd en de campagne barst los. Dat is toch iets anders dan ergens halverwege de rit een beter betaalde baan in het bedrijfsleven accepteren. Bovendien is het niet zo, dat ik die functie zelf heb bedacht of dat ik kon zeggen “ik doe het graag, maar dan over een half jaar.” De Oude IJsselstreek had per direct een nieuwe burgemeester nodig. Het was nu of nooit.’

 

3. Welke uitdagingen liggen er eigenlijk in de Oude IJsselstreek?

‘We zijn een plattelandsgemeente van 40.000 inwoners in een gebied met bevolkingskrimp. De vergrijzing slaat ook hier toe. De maakindustrie is belangrijk. Op zich niets mis mee natuurlijk, maar dat maakt de regio in tijden van economische laagconjunctuur extra kwetsbaar. We zijn echter geen Oost-Groningen. Er is volop bedrijvigheid. Na Eindhoven worden hier de meeste patenten aangevraagd.’

 

4. Je hebt je als Kamerlid vooral beziggehouden met de decentralisaties in het sociaal domein. Is een kleine gemeente als de Oude IJsselstreek wel opgewassen tegen de uitdagingen van de decentralisaties?

‘Als je kijkt naar het idee achter de decentralisaties dan is daar zeker een plaats voor kleine gemeenten. We wilden afrekenen met het geloof in “big is better”. Zorgmolochen, waarbij het management op plaats 1, 2 en 3 stond en de zorgverlening te wensen overliet, moesten echt tot het verleden horen. Als je nu ziet, dat sommige wethouders er voor kiezen om de zorg in grote regionale kantoren onder te brengen, vraag ik me af of zij de intentie wel begrepen hebben. Het blijft dan letterlijk een ver-van-mijn-bed show. Een kleine gemeente als de Oude IJsselstreek is in theorie veel beter in staat maatwerk te leveren. Natuurlijk is het altijd maar weer de vraag of je voldoende expertise in huis hebt. Misschien moeten we samenwerken, misschien zijn er andere mogelijkheden.’

 

5. Tot slot, je bent nu zo goed als ingewerkt. Zijn er aspecten van de decentralisaties die in de praktijk anders uitvallen dan oorspronkelijk de bedoeling was?

‘We zijn pas anderhalf jaar onderweg. Dus het is te vroeg voor al te harde conclusies. Maar tegen gemeenten die klagen en menen dat de wet effectief beleid in de weg staat, zou ik willen zeggen: maak gebruik van de ruimte die de wet biedt. Die hebben we bewust groot gehouden. Experimenteren mag. Wat zeg ik, gemeenten die echt een vernieuwingsslag willen maken, zullen wel moeten: lui achterover op oplossingen uit Den Haag wachten, is er niet meer bij.’