Deze website gebruikt cookies

Voor een volledige werking van de website worden cookies op uw computer gezet.
Daarnaast worden cookies geplaatst voor het bijhouden van bezoekersgedrag binnen Google Analytics, de werking van social media knoppen en reactiemogelijkheiden op blogberichten.
Wil je meer informatie over hoe www.lokaalbestuur.nl om gaat met uw privacy en welke cookies worden opgeslagen, lees dan ons cookiebeleid.

Inloggen mijn CLB

Jetta Klijnsma wil 'zachte landing' Wajongers

14 januari 2014

Tijdens een hoorzitting in de Tweede Kamer bleek maandag 13 januari jl. dat er veel verzet bestaat tegen de Wajong-plannen van het kabinet. Geen banen beschikbaar? Dan ook geen herkeuringen!, vond FNV-voorman Ton Heerts. Ook Wajongers waren naar de Kamer gekomen om te protesteren. Hoe denkt staatssecretaris Jetta Klijnsma hierover? Lokaal Bestuur sprak pal voor Kerstmis met haar over de Participatiewet. Daarbij ging het ook over de Wajong, verdringing van arbeid en tegenprestaties.

pc204960Jetta is trots op haar Participatiewet. 'Met die wet heb ik, net als toen ik de AOW naar 67 jaar moest tillen, het gevoel dat ik in de voetsporen van Drees sta. Dat is toch prachtig? Ik hoop dat de wet nog in februari wordt aangenomen, dus nog vóór de raadsverkiezingen. Dan kunnen de nieuwe gemeenteraden en colleges zich gaan voorbereiden op de uitvoering van de wet per 1 januari 2015.'

Jetta met de tas van Drees
(foto Jan de Roos)

'Het is belangrijk dat wij als PvdA straks goede gemeenteraadsverkiezingen hebben, zodat we veel wethouders kunnen leveren voor de belangrijke portefeuilles welzijn en sociale zaken. Ik ga daarom zelf ook lekker meedoen in de campagne om onze lijsttrekkers te schragen.’ 

Jetta Klijnsma vindt het een voorrecht dat ze voor de tweede keer als staatssecretaris op SZW zit. Van 1945 tot 1948 was Willem Drees minister op dit departement. ‘Zijn tas is hier in de Willem Dreeszaal nog te bewonderen in de vitrine. Het was toen nog alleen Sociale Zaken. Joop den Uyl heeft in de jaren zeventig ‘Sociale Zaken en Werkgelegenheid’ op de deur laten zetten. Dat heeft hij goed bedacht, want sociale zaken heeft altijd met werk te maken. Ieder mens heeft inkomen nodig. En als mensen in een uitkering terecht komen, moeten we ze stimuleren om toch méé te blijven doen in de maatschappij. Niet omdat dat, zoals wel eens wordt gezegd,  goed is voor de begroting, maar omdat het voor die mensen zélf belangrijk is. Zij kunnen, als ze werk krijgen, een dikkere portemonnee opbouwen. Dankzij werk heb je ook een raison d’être. Het feit dat je collega’s hebt, dat je ’s avonds als je thuiskomt een verhaal kunt vertellen, dat je ook vakantie hebt, is zó belangrijk. Meedoen, participeren is mijn leitmotiv.’

Wat maakt de Participatiewet beter dan de oude Wet Werken naar Vermogen (WWnV), waar wij als PvdA toch tegen waren?

‘Dat klopt. Ik heb zelf destijds tijdens het VNG-congres in Ulft, toen ik nog Kamerlid was, in een weiland staan protesteren tegen de WWnV. Ik vond dat het kabinet Rutte-I die wet veel te snel wilde invoeren. Gemeenten werden er abrupt mee geconfronteerd. En er wáren helemaal geen extra banen voor de mensen om wie het ging. Met de nieuwe Participatiewet is dat anders. Zeker, daar zitten bezuinigingen op, dat ontken ik niet. Maar die worden veel langzamer ingevoerd dan onder de WWnV. Dat betekent dat gemeenten een miljard extra hebben. Als we niks doen, zou het bedrag dat naar de WWB, de Wajong en de WSW gaat, structureel stijgen van 10 naar 13 miljard. Van die 13 miljard halen we 1,7 miljard af. Maar het is dan nog altijd 1,3 miljard méér dan nu. Het is dus ‘minder meer’. Heel belangrijk is, dat we in het Sociaal Akkoord hebben afgesproken dat er 125.000 extra voltijdbanen komen voor Wajongers en SW’ers. Je kunt natuurlijk wel zeggen ‘kom allemaal gezellig participeren’, maar dan moet er wél werk zijn. Als je een beperking hebt, is het al moeilijk genoeg om mee te doen, zeker als het economisch tegenzit. Daarom hebben de sociale partners en het Rijk afgesproken dat die 125.000 extra plekken er ook echt komen. De werkgevers gaan in tien jaar tijd 100.000 plekken creëren, de overheden - ook de gemeenten dus - 25.000. Dat is een enorme vooruitgang, want je kunt mensen nu vanuit hun uitkering ‘makelen’ naar een baan. Met name de vakbeweging heeft bedongen dat niemand onder het wettelijk minimumloon mag werken. In de WWnV was dat nog wel mogelijk. Die werkte met loondispensatie. Dat betekende dat iemand voor datgene wat hij kan bijdragen aan het arbeidsproces, betaald werd door de werkgever. Het deel wat hij/zij niet zelfstandig kon verdienen, werd aangevuld door de gemeente, zonder dat dit onder een cao viel. Daardoor kon je onder het minimumloon uitkomen.  In de nieuwe opzet werken we niet meer met loondispensatie maar met loonkostensubsidie: de gemeente geeft subsidie aan de werkgever en die zorgt ervoor dat mensen gewoon onder een cao minimaal 100 procent van het minimumloon krijgen bij een voltijdse functie. Dat is veel  rechtvaardiger; ze krijgen aan het eind van de maand een gewone loonstrook, net als iedereen.’

Hoe zorg je ervoor dat die 125.000 extra banen op papier er ook werkelijk komen? Wat is de stok achter de deur?

‘Ik vind dat heel veel werkgevers nu constructief met me mee gaan denken. Dat is fijn. Maar voor de zekerheid ga ik ook een quotumwet maken, voor het geval die banen er onverhoopt niet komen. Die wet zal ik in de loop van 2014 presenteren. De bedoeling is dat hij dan in 2016 ingaat. De kans bestaat natuurlijk dat werkgevers om straks aan het quotum te kunnen voldoen, nu mensen met een beperking buiten de deur gaan zetten, om ze straks via een u-bocht weer binnen te halen. Maar zo zijn we natuurlijk niet getrouwd! Daarom doen we een nulmeting met terugwerkende kracht (1 januari 2013), zodat werkgevers die extra banen vanaf 1 januari 2014 ook écht scheppen. In 2016 gaan we kijken of dat daadwerkelijk gebeurd is. Is dat niet het geval, dan kan ik een boete opleggen. Maar nogmaals: ik ga ervan uit, dat werkgevers hun woord houden.’

Waarom komen die 125.000 extra banen bij voorrang beschikbaar voor Wajongers en mensen met een SW-indicatie? Is het niet beter dat aan de gemeenten zelf over te laten?

Ik vind het belangrijk dat Wajongers die nu nog geen werk hebben maar wel kúnnen werken, straks bij voorrang aan werk worden geholpen. Dan komen ze namelijk niet in de bijstand terecht en krijgen ze meteen minimaal 100 procent minimumloon. Als Wajongers duurzaam niet kunnen werken, verandert er niets voor hen. Dan blijven ze gewoon in de Wajong. Dat geldt voor ongeveer 100.000 Wajongers. Als Wajongers onverhoopt straks wel een beroep moeten doen op de bijstand, komen ze onder een heel ander regime terecht. Dat roept zorgen en vragen in de samenleving op. Ik heb hier zelf ook al heel veel Wajongers aan tafel gehad en ik deel die zorgen. We zijn nu aan het bekijken hoe we de landing van deze Wajongers zacht kunnen maken, zodat ze zo min mogelijk te maken krijgen met kostendelersnormen en partner- en vermogenstoetsen.’

Ina von Pickartz van de FNV zegt elders in dit nummer van Lokaal Bestuur : gemeenten hebben niet de kennis en de capaciteit om Wajongers te bemiddelen. Ze bepleit ook extra maatregelen voor regio’s met veel Wajongers.

‘Ik merk dat veel fracties in de Kamer, onze eigen PvdA voorop,  zich afvragen of de Wajongers ‘oude stijl’ straks wel goed af zijn bij gemeenten. Er is structureel 100 miljoen euro uitgetrokken om de landing van de Wajongers goed in te bedden bij de gemeenten. Dat scheelt al een slok op een borrel. Ik ben nu bezig met UWV, VNG, Divosa (de sociale diensten), Cedris (de SW-bedrijven) en de Wajongers zelf, om te bezien hoe we die herkeuringen goed kunnen aanpakken. Je kunt natuurlijk niet per 1 januari 2015 even 240.000 Wajongers herkeuren. Tegelijkertijd zie ik ook dat het aantal Wajongers hard stijgt. In 2002 hadden we er ongeveer 130.000, nu is dat 240.000. Daar moeten we wel wat aan doen.
Onze PvdA-wethouders, zoals Jan-Willem van de Kolk in Stadskanaal, maar ook bijvoorbeeld SP-wethouder Riet de Wit in Heerlen, zeggen tegen me: let nou goed op de specifieke omstandigheden van de regio’s. In Groningen en Drenthe ben ik in gesprek met de ondernemingsraden van de SW-bedrijven. Dat zijn heel constructieve mensen, die het hart op de goede plek hebben. Het SW-bedrijf in Oost-Groningen is de grootste werkgever van die regio. Heel veel mensen zijn daar na de teloorgang van de strokarton en andere industrie ondergebracht in het SW-bedrijf. In Zuid-Limburg gebeurde hetzelfde na de mijnsluitingen. Natuurlijk blijf ik graag met de bestuurders in de verschillende regio’s in gesprek om hun specifieke situatie in het vizier te krijgen.’

Je hebt veel vertrouwen dat de gemeenten deze klus zullen klaren.

‘Ik vind het heel goed dat je de gemeenten mensen integraal laat beoordelen, waarbij je niet alleen kijkt naar werk en inkomen, maar ook naar gezondheid en hulpmiddelen die ze nodig hebben, zoals een rolstoel of een traplift. Gemeenten kunnen dat als geen ander inzichtelijk maken. Ik ben zelf acht jaar raadslid en elf jaar wethouder geweest in Den Haag en ik geloof echt dat het lokaal bestuur dit aankan. Natuurlijk zal het vanaf 1 januari 2015 niet overal meteen van een leien dakje gaan, maar in de huidige centrale aansturing gaat óók wel eens iets niet goed. Je moet je medeoverheden wel heel serieus nemen. Ik zal in 2014 voortdurend op pad zijn om raadsleden en wethouders op te roepen om te zorgen dat ze klaar zijn voor de uitvoering van de maatregelen per 1 januari 2015. In dit verband geef ik graag een pluim aan de VNG, Cedris en Divosa, die heel erg hun best doen dat gemeenten straks beschikken over de goede instrumenten. Ook een pluim voor het CLB, dat ervoor zorgt dat onze eigen PvdA-wethouders worden bijgepraat. Ik word ook door hen gevoed. Je kunt geen goede wet maken als je niet weet hoe die straks in de praktijk zal functioneren.’

Ligt ook niet het gevaar van verdringing op de loer, namelijk dat mensen met een reguliere baan worden afgedankt en vervangen door mensen met een beperking?

‘Verdringing is niets nieuws, het is altijd aan de orde. Toen ik zelf begin jaren ’80 als kersvers afgestudeerd historica maar geen baan kon vinden, ben ik gaan werken voor de Tweede Kamer, als secretaresse van André van der Louw. Niet op basis van mijn doctoraalbul maar op basis van mijn typediploma.  Het was dan misschien wel geen werk op mijn niveau, maar ik was er erg blij mee omdat ik in een omgeving kwam waar ik veel kon opsteken. Op dat moment verdrong ik natuurlijk wel iemand die alléén maar een typediploma had. Toen heb ik me dat niet zo gerealiseerd, maar nu wel. Ik wil het niet wegnuanceren, maar op de arbeidsmarkt vindt altijd verdringing plaats, of het nu ouderen, vrouwen, allochtonen, laagopgeleiden of mensen met beperkingen betreft. Maar ik pík het gewoon niet langer dat het altijd ten koste moet gaan van mensen met beperkingen. We hebben in tijden van crisis mensen met beperkingen er altijd als eerste uitgezet omdat ze niet zo goed konden meekomen. Dat doen we nu dus niet meer. Ik stá ook voor dat beleid. Ik prijs Bernard Wientjes, de voorman van de werkgevers, die zijn nek uitsteekt om in zwaar weer te gaan voor 100.000 extra werkplekken in het bedrijfsleven voor mensen met een beperking. Je kunt er, denk ik, ook heel goed achter komen of het om nieuw werk gaat. Als bedrijven nu mensen met beperkingen in dienst hebben, dan moeten die daar ook gewoon kunnen blijven werken. Die mensen tellen dan niet mee voor het quotum.’

Sommige wethouders zijn in verband met de komst van de Participatiewet nu al bezig om de SW-bedrijven te ontmantelen. Wat vind je daarvan?

‘Job Cohen, de voorman van Cedris, de koepel van de SW-bedrijven, is bezig met de wethouders te kijken hoe we de expertise die bij de SW-bedrijven aanwezig is, kunnen blijven benutten om de mensen te helpen. Mensen met beperkingen kloppen ook na 1 januari 2015 bij de gemeenten aan voor hulp en ondersteuning. SW-bedrijven zijn daar hartstikke goed in, zoals ik zelf overal heb kunnen zien. Die expertise moeten we niet verloren laten gaan. Mijn appel aan wethouders is: kijk nou even heel goed naar wat je hebt voordat je iets om zeep helpt. Als je het kind met het badwater weggooit, ben je het wel kwijt, dan heb je na 1 januari 2015 geen infrastructuur meer om mensen met beperkingen goed te kunnen begeleiden naar de arbeidsmarkt.’

Als je nu PvdA-wethouder zou zijn, wat zou je dan met de Participatiewet in de hand, als eerste gaan doen?

‘Het is sowieso erg mooi om wethouder te zijn, maar dit is wel bij uitstek een tijd waarin je heel veel kunt doen voor je burgers. Als ik ergens spreek, begin ik altijd met: ‘Komt een mens bij de gemeente.’ Want dat is de situatie. Je gaat als gemeente over heel veel wat een mens nodig heeft. Dat is toch prachtig? Daarvoor ben je lokaal bestuurder. Ik geloof daar echt in. Ik heb mooie voorbeelden gezien van waar wethouders mee bezig zijn, bijvoorbeeld op het gebied van schuldhulpverlening. En ja, de ene gemeente is de andere niet. Je heb onder de wethouders ook lapzwansen, die een schop onder hun achterste moeten hebben van hun gemeenteraad. Die gemeenteraden moeten ook niet achterover leunen. Ze moeten zich realiseren dat er vanaf  1 januari 2015 heel veel van hen verwacht wordt. Vroeger waren ruimtelijke ordening en financiën de belangrijkste portefeuilles. Straks, na de verkiezingen, zijn de wethouders die welzijn en sociale zekerheid onder hun hoede hebben, de belangrijkste mensen in het college. Reken maar dat zo’n wethouder heel wat voor de kiezen krijgt. Zorg dus dat je op die post een goede man of vrouw hebt. Want het wordt natuurlijk heel heftig, zeker in het eerste jaar. Je moet al in het najaar van 2014 de hele zaak in de steigers hebben staan, zodat je per 1 januari 2015 full swing van start kunt. Ik ben er trots op dat in onze eigen PvdA veel wethouders al erg bezig zijn met die gedachte. Lapzwansen onder hen moet ik gelukkig met een lantaarntje zoeken.’

 

Tegenprestatie

Hoe denkt staatssecretaris Klijnsma over een tegenprestatie voor mensen met een bijstandsuitkering? Het CLB-basisverkiezingsprogramma voor de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2014 zegt: ‘Wij vragen van mensen die gebruik maken van de bijstand een tegenprestatie (wederkerigheidprincipe). Hiervoor maken zij zelf een plan. Indien dit niet lukt, vinden we dat de gemeente daarbij kan helpen. Bijstandsgerechtigden werken maximaal twintig uur per week onbetaald als tegenprestatie voor hun uitkering.’
Klijnsma: ‘Deze maand praat ik verder met de  Tweede Kamer over de Wet Werk en Bijstand (WWB). Daarom kan ik er nu nog niet veel over zeggen. Maar ik wil wél kwijt, dat ik vind dat mensen met een bijstandsuitkering zelf een tegenprestatie moeten kunnen inkleuren. Dat is voor mij zo klaar als een klont. Mantelzorg bijvoorbeeld, beschouw ik als zo’n tegenprestatie. Dat is zwaar werk en het is echt een bijdrage aan de samenleving. In de bijstand zitten is niet leuk, hoor. Ik ken maar heel weinig mensen die daar plezier aan beleven. De meeste mensen willen zo snel mogelijk weer meedoen. Laatst sprak ik een mevrouw die in de bijstand zit en twee keer in de week gehandicapte kinderen helpt met paardrijden. Ook dat is toch een prachtige tegenprestatie?’

Tekst interview: Remmert van Haaften en Jan de Roos
Het interview verschijnt in het februarinummer 2014 van Lokaal Bestuur